

aan de
Franse grens
De camping die ik gepland had voor vandaag ligt twee kilometer verderop. Om 15.00 uur sta ik bij de slagboom. De eigenaar woont naast de slagboom. Hij is thuis. Ik bel aan. Hij is hooglijk verbaasd. Nu kamperen? Met dit weer. Het is maart! Alles is nog afgesloten! Ik leg hem uit dat ik pelgrim ben en ik laat hem mijn pelgrimspaspoort zien. Dat geeft de doorslag. Ik mag een plekje zoeken. Als mijn tentje staat komt hij kijken. Hij schudt zijn hoofd en pakt een grote baco-sleutel uit de schuur. Speciaal voor mij opent hij een toilet en sluit de waterleiding aan. Ik vraag wat ik moet betalen. Niets.
Vandaag gebruik ik mijn tweede noodrantsoen. Het smaakt overheerlijk. Het is droog. De zon schijnt op mijn plekje. Tegen een boom aan gezeten op mijn zitflap eet ik mijn avondmaal. Voor mij kan deze dag niet meer stuk.
17-03-2004
(Saméon-Wavrechain)
Tussen Wavrechain en Cambrai bij Bantigny
Om half acht ’s ochtends sta ik op. Het is droog buiten dus kan ik al mijn spullen zolang buiten de tent neerleggen. Dan breek ik mijn tent af. Hij is nat van de dauw dus heb ik weer een extra kilo gewicht aan water om mee te sjouwen. Om half negen vertrek ik. Onderweg ga ik op een bankje ontbijten met brood en kaas. Het wordt prachtig weer. Na een paar uur moet ik mijn jas aan mijn rugzak binden, zo warm is het. Met dit weer zijn er veel mensen buiten in de tuin. Iedere keer als mijn veldfles leeg is vraag ik iemand die buiten zit om water. Eén keer geeft iemand me twee anderhalfliterflessen bronwater in plaats van kraanwater. Hartstikke leuk maar heel zwaar om mee te nemen. Als ze leeg zijn bewaar ik ze. Ik sjouw nu een vuilniszak mee met brood, kaas, worst, macaroni, een blik tonijn, tomatenpuree en twee lege PET-flessen. Ik kan het niet in mijn rugzak kwijt. De mensen zullen wel denken als ze me zo zien lopen. Om 19.00 uur kom ik pas aan in Wavrechain. De camping ligt 4 kilometer buiten het dorp. Dat is een tegenvaller als het bijna donker is en je dacht dat je er al bijna was. Er stopt een autootje naast me. De bestuurster vraagt waar ik naar toe moet. Ik kan een lift krijgen, maar ik weiger want ik heb me voorgenomen dat ik iedere meter naar Santiago loop. Ik zie de camping liggen, maar de weg loopt in een frustrerend grote bocht, zodat het een hele tijd duurt voordat ik in de buurt kom.
De camping is een parc de loisir. Een soort bungalowpark annex camping. Hij is heel erg dicht. Hoge ijzeren hekken rondom. De ingang zit op slot. Ernaast zie ik licht branden in een kantoorgebouwtje. Ik bel aan. Het personeel staat op het punt naar huis te gaan. De lichten gaan uit en een vrouw komt met een koffertje naar buiten. Ik heb geluk dat ik nog iemand tref. Ze moet eerst de chef bellen of het goed is dat ik mijn tentje neerzet. Telefonisch geeft hij toestemming. De vrouw loopt mee en opent de poort met een sleutel. Ze vertelt me dat ik de poort achter me weer op slot moet doen voor de nacht. Er staat nog niet veel gras op het veld. Ik zoek het beste plekje uit vlak bij een picknicktafel tussen bomen aan het water. In het kantoortje vul ik mijn PET-flessen met water om te kunnen koken en om me te wassen. Na 15 minuten staat mijn tentje en het is nagenoeg donker. Snel bouw ik mijn brandertje op op de grond bij de picknicktafel. Er komt een man mijn kant op. Hij stelt zich voor. Het is de chef die net gebeld is. Hij heeft een plastic boodschappentasje mee met een fles wijn, een stukje kaas, brood en een potje choco-pasta. Ik weet niet wat ik moet zeggen, ik was al blij dat ik mijn tentje mocht neerzetten. Pelgrims hebben een streepje voor denk ik. Ik eet vanavond weer macaroni, mijn inmiddels standaard pelgrimsmenu. Met wijn en kaas. Mijn zaklamp om mijn hoofd gebonden. Aan de picknicktafel. Al is het donker het gaat best, het regent niet. Jammer dat ik de wijn die over is niet kan bewaren voor de volgende dag, de fles is te zwaar. Na het eten laat ik wat nog over is lopen in de vijver. De fles gaat in de prullenbak.
18-03-2004
(Wavrechain-Cambrai)
Een moeizaam begin van de dag. Het is koud en vochtig. Mijn tent is aan de onderkant heel vies geworden van de prut. Met een geel wegwerpdoekje lap ik hem helemaal af. De tent gaat weer nat van de dauw mijn rugzak in. Scheren en wassen gaat provisorisch want er is geen toiletgebouw open.
Uitgestrekte akkers en velden. Geen huizen of boerderijen. Er is vandaag een laaghangende bewolking met af en toe een beetje regen. Ik loop langs een drukke autoweg met een harde wind tegen. Gelukkig heb ik veel water mee want pas om 10.30 passeer ik een dorpje. Daar ontbijt ik ook. In Cambrai moet een jeugdherberg zijn. Ik heb het adres opgeschreven in mijn notitieblok. Om 14.00 uur loop ik Cambrai binnen. Na veel vragen vind ik de straat waar de jeugdherberg moet zijn. De rue du Pont Rouge naast een hoog bakstenen viaduct van de spoorwegen. Er is een café op de hoek. Daar loop ik binnen. Onder het genot van een lekkere café grande (dubbele espresso) observeer ik de gang van zaken in het café.
Een aantal mensen bestellen wat te eten, allerlei mensen die in de buurt werken stappen binnen voor een drankje. Iedereen geeft elkaar een hand of ze omhelzen elkaar. Een brandweerman in uniform stapt binnen, hij geniet duidelijk meer respect dan de anderen. Hij doet heel gewichtig. Hij ziet mij in het hoekje zitten en vraagt na een handdruk waar ik vandaan kom en wat ik hier doe. Het hele café wil nu mijn pelgrimspaspoort zien. De brandweerman kent het verhaal van Santiago. Als ik er een half uurtje gezeten heb vraag ik aan de bareigenaar waar de jeugdherberg is. Dat is voer voor een stevige discussie in het café. In ieder geval niet op het adres in mijn notitieblok. Alle gasten buigen zich over mijn probleem. De brandweerman meent te weten dat er wel een jeugdherberg is, maar aan de andere kant van de stad. Hij verzoekt Le Patron het toeristenbureau te bellen. Inderdaad staat de jeugdherberg op een totaal andere plek in de stad. Gelukkig is de stad niet enorm groot. De brandweerman neemt me mee naar buiten en wijst me de weg. Om 16.00 uur kan ik mijn spullen op mijn kamer neerzetten. Er is een centrifuge. Mijn was gauw gedaan en een lekkere douche genomen. ’s Avonds in een restaurantje gegeten. Mijn tentje hang ik uit op mijn kamer en is de volgende morgen droog.
19-03-2004
(Cambrai-Honnecourt)
Heel goed geslapen. Om 8.00 uur ontbijt op z’n Frans. Te weinig dus. Het eerste stuk weer door de Franse prairies langs een drukke autoweg. In het eerste dorp koop ik brood en corned beef in blik.
Door de Franse prairies

Langs het canal de St. Quentin
Nergens is een mairie geopend of een postkantoor voor een stempel. Ze zijn of tot 12.00 uur geopend of ’s middags vanaf 14.00 uur. Als ik langskom zijn ze net dicht. Het laatste deel van de route is over het jaagpad langs een kanaal. Dat is heel mooi.
Om 15.00 uur kom ik aan bij een camping in Honnecourt. Natuurlijk dicht. Ik zie geen leven op het terrein. De poort is afgesloten met een stuk ijzerdraad. Naast de camping staat een rijtje huizen. Achter een raam zie ik een oude vrouw zitten. Zij ziet me kijken. Ze opent de deur. Ik mag binnenkomen. Ze is heel aardig en wil de beheerder van de camping voor me bellen.
Die kan niet meteen komen. De oude vrouw vraagt me ondertussen honderduit over van alles en nog wat. Ze nodigt me uit om in haar huiskamer te wachten. Daar zit ook haar man in een leunstoel. Hij verontschuldigt zich omdat hij niet uit zijn stoel kan komen. Hij heeft verband om zijn blote voeten. Hij is ook heel vriendelijk. Ik krijg een biertje. Het is echt gezellig. In het huisje heerst een plezierige wanorde. Ik denk dat ze niets opruimen waar ze niet direct over struikelen. Alles ligt duimendik onder het stof. De kamer staat boordevol met rommel. Dozen, meubels, allerlei losse spulletjes. De wanden hangen vol met portretten en foto’s. Er staan kasten en bijzettafeltjes in allerlei soorten en maten vol met familiekiekjes. Op de vloer liggen duizend kleedjes en kleden. We converseren in houtjetouwtje-Frans. Ik zeg steeds iets met een paar eenvoudige woorden, soms met behulp van mijn woordenboekje; de oude mevrouw vult me vervolgens aan in echt Frans. Ze is heel geduldig met me. Als ik mijn gezinsfoto laat zien komt ze echt los. Ze vertelt over haar eigen kinderen die allemaal al de deur uit zijn. Ze weet ook veel over Santiago. Ze wil weten waarom ik deze tocht loop. Wat een warme en aardige mensen. Ze zoekt in een telefoonboek alvast het adres van de jeugdherberg voor me op in St. Quentin, waar ik morgen naar toe wil lopen.
Na het biertje moet ik toch echt even naar het toilet. Het toilet staat zonder enige afcheiding in de achterkamer. Open en bloot in de hoek van de kamer. De oude man legt eerst wat rommel opzij om mij vrije doortocht te verlenen. Het wasgoed ligt op een grote hoop naast de toiletpot. De pot heeft betere tijden gekend. Het duurt even voor ik uitgevonden heb hoe het doortrekmechanisme werkt.
Na een uurtje stopt de baas van de camping in zijn auto voor de deur samen met zijn zoon. Hij is ook heel vriendelijk. Ik mag onder een afdak staan met mijn tent. Hij pakt een stoel uit een schuurtje voor mij om op te kunnen zitten. Hij sluit speciaal voor mij een toilet en een wasbak aan. Voorts vertelt hij waar de levensmiddelenzaak is en hoe laat hij geopend is. De camping is al drie jaar in zijn bezit. Daarvoor was het een camping municipal en een zootje zegt hij. Hij is trots op de nieuwe beplanting. Het is inderdaad een plaatje van een camping. Ik moet
€ 5,50 betalen.
Maar goed dat ik onder een afdak sta. Het begint te gieten en te stormen. Vandaag warm ik een blik linzen met worst op als avondmaal. Geen macaroni.
’s Nachts doe ik geen oog dicht want het waait niet normaal. Mijn tent klappert aan alle kanten van de heftige windstoten. Het wordt ook stervenskoud. Mijn bivakmuts moet weer op en ik houd mijn fleece aan in de slaapzak. Gelukkig houdt de tent het.
20-03-2004
(Honnecourt-St. Quentin)
Om 7.00 uur sta ik op. Gelukkig sta ik onder het afdak. Het giet en het stormt. Voor ik weg ga drink ik koffie met heet water van gisteren uit de thermoskan. Daar warm ik van op.
Vandaag naar St. Quentin. In het eerste dorp waar ik langs kom zoek ik een winkel voor mijn middageten. Bij de slager staat een rij mensen. Iedereen bestelt van alles, het duurt een eeuwigheid voor ik aan de beurt ben. Echt zaterdagmorgen. Er komt een vrouw binnen met een zwierige baret op. Eerst hangt ze alle platen aan de muur recht. Vervolgens ziet ze mijn rugzak en mij. Ze vertelt dat ze ook in Santiago is geweest vanuit Le Puy. Eindelijk heb ik mijn boodschappen. Alle dorpen onderweg zijn verder uitgestorven. De rolluiken zitten dicht. Rond 13.00 uur ben ik heel moe van de tegenwind, de regen en de heuvels. Ik heb echt rust nodig en ik moet wat eten. Om te eten heb ik een droog plekje nodig. Het eerstvolgende dorp waar ik mijn lunch heb gepland heeft geen café. Het is inmiddels al 14.00 uur. Er is zelfs geen bushokje. De kerk zit dicht. En het blijft maar regenen. Teleurgesteld en moedeloos loop ik het dorp alweer uit zonder hoop op een eetplek. Dan, na een bocht heuvelop even buiten het dorp, zie ik ineens een kapel langs de weg. De kapel heeft een overkapping die precies genoeg beschutting biedt tegen de harde wind. Het roestige hek zit niet op slot en ik ga op een betonnen rand naast het levensgrote Christusbeeld zitten. Mijn brood heeft nog nooit zo lekker gesmaakt. Uit dankbaarheid doe ik een schietgebedje.
Na deze weldadige rustpauze loop ik weer verder over lange golvende wegen met veel stijgen en dalen. Het weer knapt gelukkig ook op. Zo’n drie kilometer voor St. Quentin vraag ik aan iemand die z’n hond uitlaat waar de jeugdherberg is. Dat valt mee. De herberg is vlakbij. Ik hoef gelukkig niet de hele stad door te lopen.
Het hondje van de man zorgt voor een komische noot. Tot aan de jeugdherberg loopt hij achter me aan, zeer tegen de zin van zijn baas die de andere kant op wil. Ik denk dat de hond de worstevelletjes in mijn plastic tas rook. Zijn baas krijgt hem maar niet aangelijnd en loopt de hele tijd scheldend en tierend achter zijn hond aan.
De jeugdherberg is open. Ik kan twee nachten logeren voor € 14. Dat is niet duur als je dat vergelijkt met een camping. Het is geen echte jeugdherg. Het is een gemeentelijke instelling, maar de regels zijn hetzelfde. Alleen moet ik zelf zorgen voor mijn ontbijt.
’s Avonds verken ik de stad. Vlakbij is een wasserette 24 uur, zeven dagen per week geopend. Zelfbediening. Mijn was is dus geregeld. Eten doe ik deze keer bij een Pakistaan. Weer eens wat anders dan pasta. Ik word verwelkomd door een Pakistaanse gastvrouw, die achter aan een tafeltje zit te praten met een man. Ik ben de eerste gast en het lijkt of ik eigenlijk te vroeg ben. Ze vraagt wat ik kom doen. De andere man is de kok, die nu zijn jas uittrekt en aan het werk gaat. Met veel omhaal brengt ze me een verwelkomingsdrankje. Een mierzoet sterk-alcoholisch goedje, felrood gekleurd. Van de kaart neem ik een menu. Op tafel gezet valt het me als hongerige pelgrim wat tegen qua hoeveelheid. Daarbij ‘krijg’ ik wat extra rijst en speciaal brood waar ik niet om gevraagd heb. Van de zaak. “Its a gift”, zegt de dame minzaam. Leuk dacht ik, maar bij de afrekening staan allerlei zaken waarvan ik overtuigd was dat ze inclusief waren bij mijn gekozen menu. Dat werd dus evengoed fors duurder dan verwacht. Geen fooi dus besluit ik. De Pakistaanse dame kijkt me niet meer aan als ik vertrek.
![]()
21-03-2004 (rustdag St. Quentin)
Om 7.00 wakker. Het is zondag. Mijn bed was funest voor de rug. Eerst doe ik mijn was in de wasserette. Het vergt heel wat gepuzzel voor ik er achter ben hoe het allemaal werkt. Aan de muur hangt een heel schema met te verrichten handelingen. Maar na een uur is het gepiept.
Dan mijn ontbijt. Gelukkig zijn in Frankrijk veel supermarkten en winkels op zondag gewoon open. Pas om 10.00 uur ben ik terug in de jeugdherberg met eten voor twee dagen. Ik geniet van een rustig ontbijt in de eetzaal met lekkere koffie uit een automaat.
Vervolgens kijk ik naar een rugbywedstrijd tussen Frankrijk en Schotland op de televisie. Eigenlijk zocht ik het weerbericht, maar dat is in Frankrijk een stuk minder populair als in Nederland. Je moet echt weten wanneer ze het weerbericht uitzenden en op welke zender. En als je het vindt lijkt het wel of het een wedstrijd snelpraten is en kun je het moeilijk volgen.
Na de wedstrijd loopt er een Engels echtpaar van in de zestig binnen. Ze zijn hier met een camper. Ik raak aan de praat met ze. Ze zijn op de terugweg uit Zuid-Frankrijk. De Engelsman hoort van mijn pelgrimstocht. Hij informeert of ik geen moeilijkheden onderweg heb gehad, zo alleen en lopend. Hij waarschuwt me voor rovers langs de snelwegen. Onderweg zijn ze namelijk een Nederlands echtpaar tegengekomen met een totaal leeggeroofde caravan. De Nederlanders waren beroofd langs de snelweg bij een rustplaats. ’s Nachts hadden de bandieten bedwelmend gas binnengespoten door geboorde gaten in de caravan en vervolgens alles van waarde meegenomen.
Gelukkig loop ik niet langs de grote wegen. Tot nu toe ben ik alleen maar hartstikke aardige mensen tegengekomen.
Om 19.15 uur ga ik wat eten in de stad. In een Frans restaurant. Paëlla. In het restaurant zitten allemaal gezinnen en families gezellig op zondag thee te drinken en een borreltje. Ik krijg er een beetje heimwee van. Maar ik warm me ook een beetje aan andermans gezelligheid.
Het was trouwens de hele dag mooi weer. Dat is ook prettig.
22-03-2004
(St. Quentin-Berlancourt)
Om 7.00 uur opgestaan. Ik heb de hele nacht liggen denken, dat is niet bevorderlijk voor de rust. Om 8.10 uur vertrek ik. Eerst een postkantoor in het centrum gezocht. Ik had nog een brief voor school om op de bus te doen. Het postkantoor zit natuurlijk nog dicht. Pas om 10.30 laat ik de stad achter me. Dat is vervelend lopen: zo’n stad met buitenwijken en drukke kruispunten. Je hebt het idee dat je niet erg opschiet. Het begint ook weer te regenen, maar gelukkig zonder wind. Het landschap wordt wat lieflijker met beboste hellingen. Wel is het steeds stevig klimmen heuvelop. De mairies en postkantoren zijn allemaal gesloten onderweg wanneer ik langsloop. Ook de cafés zitten dicht. Ik spreek de hele dag niemand. Later op de dag knapt het weer wat op. Pas om 17.00 uur loop ik lichtelijk vermoeid Berlancourt binnen.
Gelukkig is daar een café. Voordat ik ga zoeken naar de camping vraag ik eerst in het café of de camping wel geopend is. De bar-mevrouw vraagt het aan haar man, die druk aan het wittelen is in de kamer ernaast. Hij twijfelt. De mevrouw achter de bar wil wel bellen voor me. Jammer genoeg is de camping gesloten. Ze vertelt een heel verhaal over de campingeigenaar. Hij heeft vorig jaar een ernstig ongeluk gehad met een campinggast. Die werd geëlektrocuteerd. Waarschijnlijk was hij daardoor zo depressief geworden dat hij wel nooit meer open zou gaan. Wat nu? Camping dicht.
De mevrouw en haar echtgenoot praten wat heen en weer. De bareigenaar blijkt een voisin te hebben die naast het café woont. Volgens de mevrouw wil die misschien wel iemand te logeren hebben voor één nacht. De bareigenaar zet zijn kluspetje af en wast zijn handen. Hij gaat het meteen vragen hiernaast.
Als hij terugkomt is alles geregeld. Ik loop met hem mee naar de buren. Het is een soort boerderij met een omsloten hof. Op het erf is de buurman samen met een jongen van een jaar of achttien aan een auto aan het sleutelen. Ze zeggen vriendelijk gedag. Ik kom binnen in een geheel met oud eikenhout betimmerde hal. De vrouw des huizes begroet me. Ze wijst me een slaapkamertje in een bijgebouw. Er is een toilet bij met een douche. Ze vertelt me dat ze een soort tehuis runt voor probleemjongeren. Een opvanggezin. Toevallig is er net een jongen vertrokken. Ik mag in zijn kamer slapen.
Wanneer ik gedouched ben en alles op orde heb mag ik binnen een kopje thee drinken. Een schitterende ruime zitkamer, ook helemaal betimmerd. Een hele grote ronde houten tafel staat in het midden. Nu komen er ook vier jongens binnen en de man des huizes. Hij vertelt dat de auto die hij daarnet onder handen nam een leerproject is voor de jongens die hij onder zijn hoede heeft. Eén jongen leerde voor loodgieter, de andere drie leren voor mecaniciën. De familie heet Vermeersch. Dat lijkt wel Nederlands. Dat klopt, de familie komt oorspronkelijk uit Brugge. Mevrouw Vermeersch laat een map zien met ansichtkaarten van twee compostelagangers die ze eerder onderdak heeft gehad. In 2002 en 2003. Wat leuk. Ik beloof haar dat ik ook een ansicht stuur wanneer ik Santiago haal.
Ik mag mee eten. Heel gezellig. De jongens willen van alles weten over Nederland, vooral over Amsterdam. Drugs en vrijheden. De oudste jongen heeft net getekend voor het leger. Hij wil in het vreemdelingenlegioen. Hij ziet het helemaal zitten. Morgen moet hij voor het eerst naar de kazerne voor een kennismaking. Ik help met de afwas in de keuken. Wat een ruime keuken. Het is een schitterende oude boerderij. ’s Avonds televisie gekeken en wat gepraat. De vrouw des huizes heeft relaties met de paters van een klooster verderop langs de route in Ourscamp. Ze belt een pater op om voor mij een overnachting te regelen. Goed geslapen.
![]()
23-03-2004 (Berlancourt-Ourscamp)
Om 7.00 uur op. Ik leg €7 neer op de tafel in mijn slaapkamer. Achteraf voel ik me daar onzeker over. Misschien is het tekort, of is het beledigend.

Noyon
Na het ontbijt samen met de familie vertrek ik om 9.00 uur. Op naar het klooster in Ourscamp. Het is mooi weer. Ontspannen lopen als je weet dat je ergens kan slapen. In Noyon eet ik wat in een restaurant voor €13 en ik bel mijn moeder. Prachtig stadje.

Ruïne achter het
klooster van Ourscamp
Rond 15.30 uur kwam ik aan bij het klooster. Al van verre zie je de ruïne van de kerk achter het klooster.
Eerst zoeken naar de ingang. Dat was nog niet zo eenvoudig. Ik ben helemaal rond het gebouw gelopen. Het klooster lag voor tweederde in puin. De rest was in gebruik als internaat voor moeilijk opvoedbare kinderen. Ik zag paters in habijt voetballen met leerlingen, een komisch gezicht.
Uiteindelijk ben ik binnengegaan aan de achterkant door een grote centrale deur. Daar was een hal met een trappenhuis en een rek met toeristische en religieuze blaadjes. Daar was ook een kantoortje van de frère hostellerie. Niemand te zien. Er stond wel een mededeling op een bord dat bij afwezigheid een bepaald nummer gebeld diende te worden. Dat deed ik met de telefoon in het kantoortje. Op een gegeven moment kwam er een pater naar beneden hollen van de bovenverdieping. Hij vertelde dat de gastenpater er op dit moment niet was, of ik niet even een wandeling in het park om het klooster wilde maken tot 16.30 uur. Dat deed ik dan maar. Er liep ook een jong echtpaar, volgens mij op bezoek bij hun kind in het internaat. Ze huilden en waren druk aan het discussiëren, het kind liep wat te hollen achter een bal. Ik ging even zitten op een bankje. Toen ze mij passeerden keken ze mij aan met een blik van ‘wat doet die hier nou’.
Om 16.30 weer naar binnen. De pater was er nog steeds niet. Ik ging maar zitten op een stoel. De ene na de andere pater kwam vragen wat ik kwam doen en van één van hen kreeg ik koffie. Ze zouden de gastenpater gaan zoeken. Onbegrijpelijk dat hij er niet was.
Na nog eens een uur wachten loopt er een jonge pater naar me toe. Het was één van de voetballende paters. Hij vertelde dat de gastenpater momenteel afwezig was en dat hij mij zometeen een slaapplaats zou wijzen, maar hij moest nog wat afhandelen in het internaat. Of ik nog wat geduld had. Natuurlijk, van wachten word je nederig, dat is best wel eens goed voor een pelgrim.
Om half zeven krijg ik eindelijk te horen waar ik mag slapen. Frère Charles de Marie Jésu Christe, zo heet de jonge pater die mij helpt. Bij het klooster ligt een gastenverblijf, helemaal leeg. De pater vertelt me dat ik kan eten na de gebeden om zeven uur. Ik moet de deur stevig op slot doen want het is ’s avonds niet veilig volgens Frère Charles. Hij laat me ook de kapel zien en de eetzaal.
Ik kan net mijn spullen neerzetten. Om zeven uur luidt de bel voor het gebed. Natuurlijk doe ik mee. De kapel is helemaal boven in het gebouw. Alle paters zitten langs de wand bij het altaar. In de kapel zitten ook wat mensen uit het dorp.
Rond half acht naar de eetzaal. Met schermen is de zaal voor de gasten afgescheiden van de etende paters. Ik zit er helemaal alleen. Frère Charles komt zelf de schalen op tafel zetten en spreekt een gebed uit over de maaltijd. We eten erwtensoep met een preischotel met ham en kaas en een monatoetje na. Na afloop vraag ik hem om een stempel voor mijn paspoort. Op zijn verzoek breng ik de afwasspullen na het eten naar de keuken. Een heel grote keuken met een moderne inrichting. Ik hoef niet mee te helpen bij de afwas.
Voor het naar bed gaan doe ik ook mee met de avondmis. Heel indrukwekkend. De paters liggen ruim een half uur op de grond om te bidden tot God, in stilte. Wat een geloof moeten ze hebben en dat elke dag weer. Om een uur of tien naar bed. Aan de muur hangen affiches met prijzen voor overnachting en eten, blijkbaar komen hier vaker groepen en gasten. Mijn eigen verblijf zou op €16 komen. De pater heeft het helemaal niet over geld gehad, maar ik vind dat ik moet betalen. Echt arm ben ik tenslotte niet.
24-03-2004
(Ourscamp-Compiègne)
Rond 6.30 uur klinkt de kloosterbel voor de ochtendgebeden. Mijn rugzak pak ik alvast in. Om 7.00 uur naar de kapel. We bidden en mediteren één uur. Om 8.00 uur is het ontbijt. Frère Charles komt speciaal mijn ontbijt brengen en geeft mij de pelgrimszegen. Ik ben echt ontroerd door dit gebaar.
Bijna de hele dag loop ik door bossen. Een heel stuk langs de autoweg. Er is eigenlijk geen ruimte langs de weg voor wandelaars. Ik loop maar vlak langs de rand van de weg. De auto’s minderen geen vaart en vooral bij vrachtwagens die elkaar passeren is het best eng af en toe.
In Choisy-au-Bac koop ik brood, worst, kaas, een appel en een sinaasappel. Mijn dagelijkse lunch voor €4. Al vroeg in de middag kom ik Compiègne binnen via een industriegebied. De stad heeft een mooi centrum met een prachtig paleis. Er was een camping volgens mijn gegevens. Iedereen gevraagd. De één had er van gehoord, de ander ontkende, uiteindelijk een gendarme vertelde me dat er geen camping was. Even buiten het centrum stond een soort carnavalsoptocht met verklede kinderen te wachten voor vertrek, daar even rondgekeken. Uiteindelijk ben ik naar het plaatselijke bureau voor toerisme gegaan. Ze stonden me te woord in keurig engels. Uit een folder kreeg ik het adres van een klein goedkoop hotelletje in de Rue de Paris. De man achter de balie in het toeristenbureau haalde duidelijk zijn neus er voor op, maar voor mij was het eigenlijk nog boven mijn budget. Hotel Antoine heette het. Het hotelletje was naast een Chinees restaurant. Ze deelden hetzelfde portiek. In het raam hing een brief dat men zich bij afwezigheid moest melden bij de Chinees. Dat heb ik gedaan. De Chinees was heel vriendelijk. De eigenares was er even niet, zei hij. Of ik echt uit Nederland kwam? ‘Amsterdam’ zei hij. Die stad kende hij goed. Hij raadde me aan over een uurtje terug te komen. Naast het restaurant was een Turks café. Daar stapte ik naar binnen voor een kop koffie. Achterin zat een groep Turken te kaarten aan een tafel met veel misbaar en grote woorden. De baas riep zijn zoon om me te bedienen. Ik ging aan het raam zitten. De carnavalsoptocht van de kinderen kwam langs. Een hele hoop mensen stonden langs de kant. De baas van het café was boos omdat er met confetti gegooid werd op zijn stoep. Zijn zoon lachte hem uit. Later pakte hij een bezem om de stoep aan te vegen. Inmiddels was het een uur later en ik ging maar weer eens kijken bij het hotel. Meteen kwam de Chinees buiten. Ze was er nog niet, maar het kon niet lang meer duren zei hij. Na een half uur buiten wachten in het portiek, het begon te gieten van de regen, kwam eindelijk de eigenaresse van het hotel. Ze was de echtgenote van de Chinees. Hij dreef het restaurant en zij had er een hotelletje bij. De goedkoopste kamer was €15. Toilet en douche op de gang en een wasbak in de kamer. Ik moest drie verdiepingen omhoog langs een smalle trap. Een hele sjouw met mijn rugzak. Het kamertje was net groot genoeg voor een éénpersoonsbed. Maar het was stofvrij en kraakhelder. De kachel deed het. Gauw mijn sokken gewassen en over de verwarming.
’s Avonds bij een Italiaan gegeten verderop in de straat voor €11. Het bed lag prima.
25-03-2004
(Compiègne-Liancourt)
Na een goede nacht rust loop ik weer verder richting Liancourt. Vandaag een flinke afstand voor de boeg. Het wordt wel een dertiger. Het weer is mooi, maar erg koud. Ik loop langs velden en akkers. Tegen 17.00 uur ben ik moe. In Liancourt staat een bord dat de camping nog zeven kilometer verderop is. Dan begint het te regenen en bovendien moet ik ook nog eens een steile heuvelrug op. Het is wel een mooi gebied in de heuvels. Binnen een uur tijd loop ik langs een gigantische gerontologie-kliniek, een enorm futuristisch uitziend industriëel complex en een gevangenis met prikkeldraad en wachttorens. Ergens daarachter is ook nog een camping midden in het bos. Om 18.30 kom ik aan. In een rommelig hok naast de slagboom zit een rommelige sjofele baas van een rommelige camping vol met caravans en stacaravans die er al een halve eeuw of meer staan volgens mij. De camping is echter volledig bewoond. Het is meer een dorp. Kinderen voetballen. Jongeren hangen en praten naast het toiletgebouw. Ergens tussen twee caravans en drie auto’s mag ik mijn tentje neerzetten voor €6. Vandaag totaal €15 kwijt. Maar de douche is heet. In het donker gekookt en gegeten onder een afdak waar een onbewoonde caravan staat. Het is vrieskoud en het regent. Gelijk slapen. Ik hou mijn fleece aan en mijn muts op.
26-03-2004
(Liancourt-Cires-lès-Mello)
7.00 Uur wakker. Begin de dag met sokken wassen, mezelf wassen en tentje inpakken. Het is nog steeds erg koud. Na het ontbijt voor mijn tent kom ik niet meer in de warmte. Gelukkig heb ik nog mijn thermoskan met heet water die vannacht als warme kruik dienst deed. Daar maak ik nu koffie van. Mijn hete beker houdt mijn handen in ieder geval warm.
Het is redelijk droog. Eerst moet ik weer terug lopen naar Liancourt langs de gevangenis. In Liancourt koop ik voor € 11 boodschappen in. Alles gaat in de vuilniszak die ik nu al die tijd met me mee sleep in mijn rechterhand. Het past niet in mijn rugzak, dus moet ik wel. Liancourt is trouwens best een leuk stadje. Het weer knapt gedurende de dag erg op. Ik loop langs akkers en velden, afgewisseld met bossen en beekjes. Wel af en toe een fikse klim. Rond 14.00 uur bereik ik Cires-lès-Mello. Dat is een heel pittoresk historisch stadje. Nergens heb ik nog een aanduiding gezien van de camping die daar moet zijn. Daarom stap ik een café binnen. Dat is een sportcafé. De eigenaar is tevens bookmaker. Hij verkoopt gokbriefjes voor de paardenrennen. Een grote televisie staat continu aan met paardenrennen in beeld. Iedere keer als de race is afgelopen worden de briefjes met grote vloeken verscheurd en op de grond gegooid. Vervolgens worden er drankjes en nieuwe briefjes besteld. Er lopen ook mensen binnen voor één kop koffie en een vlugge gok. Kortom een drukte van belang. Zelf drink ik eerst een kop koffie waar ik lekker lang over doe en observeer ik de gang van zaken. Na een uurtje vraag ik de eigenaar of hij weet van een camping in de buurt. Hij weet er wel van, maar vraagt een gast om het mij uitvoerig uit te leggen, hij heeft het heel druk met de cliëntèle. Bovendien gokt hij zelf ook mee. Aan de muur hangt de goktip van de dag van de baas en de namen van de paarden waar hij zelf op gokt met datum en tijdstip. En ook wat hij in het verleden al gewonnen heeft. De gast neemt me mee naar buiten en wijst me precies de straat aan die ik moet nemen. Even buiten het stadje ligt een heuvelrug. En precies bovenop die heuvelrug ligt de camping. Dat is trouwens vaak zo: de camping ligt meestal bovenop een heuvel in deze contreien.
Ik neem een kortere route op aanraden van de man. Die voert vrijwel loodrecht de heuvel op over een smal bospad. Maar na een half uurtje ben ik er. Deze keer een keurig nette camping. De douche is warm. Het kost € 8. Gelukkig kan ik nu bij daglicht koken op mijn brandertje. Voor een caravan die onbewoond is staan tuinstoelen. Ik leen er één om op te zitten.
Zodra de zon weg is wordt het meteen weer stervenskoud. Gelijk in mijn slaapzak met alles aan om niet af te koelen.
27-03-2004
(Cires-lès-Mello – Henonville)
Zodra het licht is sta ik op zonder al te veel nadenken. Ik heb mezelf intussen een vast patroon van handelingen aangeleerd. Dat leg ik me zelf op. ’s Ochtends heb ik altijd moeite om te starten. Buiten is het koud en het is een heel gedoe om in zo’n kleine ruimte je zelf aan te kleden en te scheren en alles in te pakken. De verleiding om langer in je warme slaapzak te blijven liggen is groot. Bovendien is er de onzekerheid waar je gaat slapen elke dag, daar heb ik best wel moeite mee. Discipline is dus een groot goed, want anders kom je nergens. Maar als alles ingepakt is, dat duurt meestal een half uur, is mijn neerslachtigheid weg. De zon wordt sterker naarmate de dag vordert en het is prachtig wandelweer. De omgeving is ronduit schitterend. Mijn planning is om in Bornel te gaan eten rond het middaguur.
Als ik in Bornel op een bankje uitrust stopt er een zwart renaultje. Het is een pastoor, een vrij jonge vent. Hij vraagt of ik naar Santiago loop. Hij spreekt alleen Frans en Spaans. De conversatie verloopt eerst nogal stroef. Ik begrijp dat hij het al twee keer heeft gelopen. Na een tijdje vraagt hij of ik honger heb. Zo’n vraag beantwoord je natuurlijk met ja.
Ik kan meerijden met hem naar de pastorie. Maar dat is tegen mijn principes. Dus spreek ik af dat ik zelf loop en hij op me wacht. De wandeling duurt een half uur. Er is maar één kerk, dus het is niet moeilijk te vinden. Hij vindt het eigenlijk maar onzin dat ik niet meerij, maar gaat mee in mijn gekte.
De pastoor woont alleen. Een prachtig mooie kleine stokoude pastorie, maar wel van alle gemakken voorzien. Pratende weg maakt hij de lunch klaar in de kleine keuken terwijl ik de ene na de andere kop koffie weg werk. Aan de muur hangt een grote dikke houten pelgrimsstaf. De pastoor heeft de Spaanse route gelopen met jongeren uit de vier parochies die hij onder zijn hoede heeft. Hij is heel nieuwsgierig naar mijn uitrusting. Ik laat hem mijn benzinebrandertje zien. Zoiets heeft hij nog nooit eerder gezien.
We beginnen met uitgebakken ham met salade en schijven meloen. Dan komt er een groot stuk vlees in een overheerlijke saus. Samen met een royale salade rijkelijk gevuld met tomaten, eieren, ham, paprika en nog veel meer lekkers. Daarbij natuurlijk een groot glas rode wijn en stokbrood. Als afsluiting allerlei stukjes Franse kaas. Voor ik vertrek krijg ik nog wat fruit voor onderweg. Deze man weet wat een pelgrim nodig heeft.
De pastoor kent een gezin in Henonville waar ik mag slapen. Hij belt voor me en het is geregeld. Hier past slechts een groot gevoel van dankbaarheid!
Om 16.30 uur kom ik aan op het afgesproken adres in Henonville. Alleen de vrouw des huizes is thuis. Ze heet Isabelle. Haar man Patrice is naar een doopplechtigheid van een kennis met hun drie kinderen mee. Isabelle laat me mijn slaapplek zien en installeert me daarna in de huiskamer met een boek over een pelgrim die naar Jeruzalem is gelopen. In het Frans, maar best wel lezenswaardig. Ze moet eerst nog de was doen en eten koken. Na een tijdje hebben we een heel gesprek in het Engels over van alles en nog wat. Vooral over het opvoeden van jonge kinderen en de verschillen tussen Nederland en Frankrijk. Ze vraagt me ook over mijn motivatie, waarom ik loop. Na een uur of twee komt Patrice thuis. Hij is een beetje stijve man maar wel vriendelijk. De drie kinderen in de leeftijd van 3 maanden tot 4 jaar vinden mij heel interessant. Isabelle en Patrice hopen dat ik niet ziek wordt, want zij zijn allemaal ziek of net ziek geweest. Patrice loopt er inderdaad een beetje wiebelig bij. Ik denk dat ik wel een stootje kan hebben, op school doe je een hoop antistoffen op. Patrice werkt bij Sagem, hij ontwerpt GSM-systemen voor auto’s.
Volgens mij zijn ze diepgelovig. Maar absoluut niet wereldvreemd. Ik vind het leuk en interessant om over geloofszaken met Fransen te praten.
Ze hebben een groot huis met een ruime tuin. Isabelle doet mijn was ook even in de wasmachine, dat is heel fijn, want ik heb al tijden alleen mijn sokken gewassen.
Het gezin gaat vroeg naar bed. Maar dat is voor mij ook beter. Mijn slaapplek is op de zolder.
![]()
28-03-2004
(Henonville-Vigny)
Vandaag word ik wakker met een spannend gevoel. Vanmiddag heb ik een rendez-vous met José. Ze heeft in Lamorlaye ten noorden van Parijs een hotelletje geboekt voor drie nachten. Het lijkt wel een eeuwigheid geleden dat ik haar voor het laatst gezien heb. Het is maar één maand. Mij komt het voor als iets uit een ander leven.
Om 9.15 vertrek ik uit Henonville. Het is prachtig weer. Een schitterende bosrijke omgeving, maar weer flink heuvelachtig. Overal zie je Bommelstein-achtige kastelen. Ik heb onderweg weer brood, worst, kaas en fruit gekocht voor € 11. Onderweg neem ik in een stadje de verkeerde weg. Drie kilometer omgelopen. De kortste weg naar Vigny om de drie kilometer te compenseren is een stukje van De GR-1 route. Het pad loopt over een boerenweggetje door de akkers. Tractoren hebben diepe voren uitgesleten in het onverharde pad. Daardoor moet je steeds met je schoenen over richels en oneffenheden lopen. Dat loopt niet prettig met een zware rugzak. Ik kom wel diverse wandelaars tegen, geen pelgrims maar gewone Fransen.
Uiteindelijk loopt het pad via een vuilnisbelt naar een grote weg waarlangs ik Vigny binnenloop. Vigny is een prachtig oud stadje. In het centrum staat een oud kasteel naast een heel oud kerkje. Op het plein bij de kerk besluit ik José op te wachten. Om 16.15 uur stuur ik José een SMS-bericht zodat ze weet waar ik ergens sta.
Om 17.00 uur komt ze het plein oprijden. Ik ben erg blij dat ik haar weer zie. We rijden in krap een uur tijd naar Lamorlaye. Het hotel ligt midden in een sjieke bosrijke villawijk.
’s Avonds eten we bij een Italiaan in het stadje.
29-03-2004
(Lamorlaye)
De dag begint slecht. Het lijkt wel of ik een buikgriep heb opgelopen. Ik krijg het ontbijt er niet in en ik voel me duizelig en misselijk. Al mijn spieren doen zeer. Een mooi begin van ons samenzijn. Toch besluiten we naar Chantilly te rijden hier vlakbij. Chantilly heeft een renbaan voor paarden, overal zie je maneges en stallen. In de stad praten we bij met een kop koffie en een gebakje. Het middageten krijg ik ook niet naar binnen. ’s Middags een paar uur bewusteloos geslapen in het hotel. Het lijkt wel of alle vermoeidheid van de afgelopen weken er nu uitkomt.
’s Avonds heb ik ook bijna niets gegeten en ondanks die middag slaap lig ik de hele nacht in coma.
30-03-2004
(Lamorlaye)
Vandaag voel ik me gelukkig weer bijna de oude. We hebben elkaar heel erg gemist. José is geschrokken van mijn lijf. Ik ben heel erg mager geworden. Mijn heupen en ribben steken uit en de plooien los vel hangen aan mijn buik. Op mijn heupen zitten grote blauwe plekken van het slapen op een dun matje. Toch heb ik elke dag gegeten en niet zo weinig ook. Ik voel me heel sterk. Als je wil afvallen moet je dus met achttien kilo op je nek een paar weken gaan lopen.
In de hotelkamer hang ik mijn was en mijn tent te drogen. Chantilly heeft een grote supermarkt. Daar koop ik nieuwe oploskoffie en eten voor morgen.
We hebben een heel fijne dag samen en ’s avonds eet ik ook weer normaal. Ik zie erg op tegen morgen als we weer moeten scheiden. José heeft het er denk ik nog moeilijker mee dan ik.
Achteraf vraag ik me af of het wel verstandig is als pelgrim een rendez-vous te plannen onderweg. Ik vond het geweldig José weer te zien en te spreken, maar je raakt volledig uit je ritme en ook geestelijk trekt het een zware wissel op je. Aan de andere kant is het goed elkaar weer te spreken en te zien want alleen communiceren via SMS is niet bevorderlijk voor je relatie.
31-03-2004
(Vigny - Boinville-en-Mantois)
We ontbijten al vroeg. José brengt me weer naar Vigny. We nemen afscheid op het plein bij de kerk. Het afscheid valt me niet mee.

Aan de Seine
Gelukkig is het mooi weer. De streek waardoor ik loop is parkachtig. Het Seinedal ligt tussen hoge en steile heuvelruggen. In het dal loop ik door drukke straten en langs de Seine staat veel
industrie.
Ik vind het een kick de Seine over te steken. Het is me toch maar even gelukt tot voorbij Parijs te lopen.
Rond 16.30 uur arriveer ik bij een mooie camping in een bosgebied. De camping heet Les Canada. Het is echt zo’n keurige camping met luxe sta-caravans en aangeharkte paden waar witte kiezeltjes op liggen.
Een jongen van een jaar of achttien staat de plantenbakken water te geven. De receptie is dicht. Er hangt een bord met de mededeling dat de receptie vandaag niet open is. Toch zijn er diverse gasten op de camping, dus ik vraag de jongen of er een plekje is voor mij en een très petit tente. Nou dat betwijfelde hij sterk. De camping was nog gesloten, de baas was er niet. Hij durfde niets te beloven en kon me geen toestemming geven, terwijl er genoeg mooie grasveldjes braak lagen.
Ik vroeg of de baas misschien later op de middag terugkwam. Waarschijnlijk wel, maar de jongen wist niet hoe laat. Ik besloot om te wachten. Ik ging zitten op zo’n mooi geïmpregneerd tuinbankje tussen de bloembakken bij de ingang van de camping. Ondertussen reed de ene na de andere vaste campinggast door de slagboom. Het leek me stug dat ik niet voor één nachtje zou kunnen slapen.
Om 17.30 uur was de baas er nog al niet. Ik twijfelde of ik niet nu het nog licht was een andere camping moest gaan zoeken. Maar gelukkig kwam toen de baas samen met zijn echtgenote aanrijden. Niet in een auto, maar met zo’n vierwielige gemotoriseerde skelter op terreinbanden, een quad. Blijkbaar waren ze lekker wezen crossen door het bos.
De baas was echt heel sportief, natuurlijk was het geen punt om voor één nacht mijn tentje neer te zetten. Hij gaf zijn vrouw min of meer bevel (zo klonk het) mij in te schrijven. Ik moest € 7 betalen, maar daar zat wel een douchemunt bij.
Vlug mijn tentje opzetten voor het donker en koken. Vandaag witte bonen in vleessaus uit blik. Dat blik was nog een hele sjouw geweest vandaag. In mijn provisiezak zat ook nog een pak macaroni en drie blikjes tomatensaus. Na het eten begint het te spetteren.
’s Nachts vreselijke hoosbuien, maar de tent houdt het.
01-04-2004 (Boinville-en-Mantois –
Condé-sur-Vesgre)
Het is ‘s morgens weer droog. Ik heb geen brood meer voor de middag. Veel dorpjes onderweg, maar tot 13.30 uur geen winkels. In Orgerus eindelijk een restaurant. Ik besluit daar maar warm te gaan eten. Onderweg kom ik een wielrenner tegen. De man spreekt mij aan. Hij kent iemand die ook naar St. Jacques is gelopen. Hij wenst mij veel succes, een heel aardige man.
Pas om 17.30 loop ik Condé-sur-Vesgre binnen. In het centrum staat een bord. Nog 4 kilometer naar de camping. Ook nog eens de verkeerde kant op! Dus dat zelfde end moet ik morgen weer teruglopen. Ik ben doodmoe. De route naar de camping loopt door heuvelachtig gebied. Toch moet ik ergens slapen dus verzamel ik mijn laatste krachten.
Na ongeveer één kilometer stopt er een oud renaultje naast me. In de auto zit een man met een woeste haardos en een grote zwarte baard. Hij vraagt me of ik een camping zoek. Ik stap in en hij brengt me linea recta naar de camping. Ik ben blij dat ik in de auto zit, want de camping is nog een pittig eind weg. Als we uitstappen loopt hij met me mee naar de woning van de beheerder. Daar blijkt dat deze man de beheerder zelf is. Je moet maar geluk hebben! In huis word ik ingeschreven door zijn vrouw. Ze is een beetje ziekelijk denk ik, want ze strompelt zo’n beetje door de kamer. Ze zet een stempel in mijn paspoort. Ik kan nog net mijn tentje opzetten voor het donker wordt. Ik sta naast een picknicktafel vlak bij het toiletgebouw. Het kost me deze keer € 5,50.
’s Nachts enorme buien met windstoten. Het is een onrustige nacht voor mij.
02-04-2004 (Condé-sur-Vesgre – Le
Boullay-Thierry)
‘s Morgens regent het nog steeds. Alles in de tent ingepakt, mijn rugzak in het toiletgebouw gezet en vervolgens mijn tent afgebroken.
St Lucien
Wisselvallig weer, maar prachtig landschap. Om 16.00 uur sta ik bij het Syndicat d’initiative in Maintenon, weer zo’n mooi Frans stadje. Er is al twee jaar geen camping municipal meer. Ik moet weer zo’n vier kilometer naar het noordwesten langs de rivier de Eure.
Om 17.00 uur ben ik er bijna. De camping ligt bovenop de heuvelrug naast de rivier, een vreselijke klim steil omhoog. Ik moet maar afwachten of hij open is, maar ik heb geen keuze. Als ik de camping al zie liggen stopt er een renaultje naast me met een mevrouw erin. Dezelfde auto als tien minuten daarvoor. Toen was ze me langzaam voorbij gereden.
De mevrouw vraagt mij of ik pelgrim ben. Ik beaam dat. Ze wil weten of ik al een slaapplaats heb. Ik vertel dat ik op weg ben naar de camping daar vlakbij. Als ik wil kan ik bij haar slapen. Ze woont in een plaatsje Le Boullay-Thierry, zo’n 15 kilometer verder, nog verder terug, naar het noordwesten. Dat was een moeilijk besluit, want eigenlijk had ik de dag erop gepland naar Chartres te lopen. Zij woonde helemaal de andere kant op. Op de kaart viel het echter mee. Ik dacht dat het wel te doen was om morgen vandaar in één dag naar Chartres te lopen. Dus ging ik met haar mee. Het geluk rijdt blijkbaar in een Renault. Nooit in een Mercedes.
De mevrouw was denk ik een jaar of vijftig oud. Ze heette Patricia. Ze sprak beter Engels dan ik. Even later vertelde ze dat ze Engelse les geeft aan volwassenen. Geen wonder dat ze zo goed Engels spreekt. Na een half uurtje rijden komen we in een vrij klein, landelijk stadje. Meer een dorp. Het is een oud vrijstaand huis met een grote tuin ervoor en een grasveld.
Patricia vertelt dat een tijdje geleden een andere pelgrim in de tuin gekampeerd had. Ze durfde hem niet in huis te laten slapen omdat hij er zo haveloos uit zag. Patricia zit in het plaatselijke Jacobsgenootschap. Een collega van haar heeft achteraf gewaarschuwd dat ze naar zijn pelgrimspaspoort had moeten vragen, misschien was het wel een crimineel. Maar de pelgrim was heel dankbaar voor het plekje op het gras en is daarna verder gelopen.
Ik heb Patricia natuurlijk meteen mijn eigen pelgrimspaspoort laten zien. Je moet iedere schijn van illegaliteit vermijden.
Ze was protestants. Dat viel me op omdat haar huis ‘Le jardin du Presbytère’ heette. Presbyters, een soort gereformeerden, associeerde ik eerder met Schotland dan met Frankrijk. Maar in Frankrijk heb je een heel netwerk van Presbytères. In Chartres kreeg ik een lijst met adressen van Presbytères waar je kan logeren als pelgrim. Toen ik haar vertelde dat ik dacht dat heel Frankrijk katholiek was begon ze verontwaardigd een hele verhandeling over de kerken in Frankrijk. Patricia hoorde er op haar beurt van op dat in Nederland meer dan de helft van de mensen katholiek is. Zo zie je maar.
Patricia zei ook dat ze er over dacht een soort herberg te beginnen voor pelgrims naar Santiago. Le Boullay-Thierry ligt volgens haar op de Jacobsroute van Engeland naar Santiago. Ze vroeg of ik haar adres in Nederland door wilde geven aan aspirant-pelgrims. € 30 vraagt ze voor een overnachting met eten erbij. Ze polste me naar mijn mening hierover. Of ik het niet teveel geld vond. (Toen ik wegging heb ik € 15 betaald, want ze had alleen een klapbed over vanwege de visite)
Nadat ik mijn rugzak in een klein bijkamertje had mogen zetten werd ik verwelkomd in de huiskamer. Daar zaten gezellig bij de houtkachel nog twee oudere echtparen. Ik viel met mijn neus in de boter. Thee met zelfgebakken taart en daarna nog een lekker rood wijntje.
Patricia had haar vader en moeder en een bevriend echtpaar op visite. De vrouwen gingen al gauw beginnen met het klaarmaken van de maaltijd. Ik kwam in gesprek met de twee oudere heren.
Deze twee mannen, oude vrienden, hadden een heel avontuurlijk leven achter de rug. Alle twee waren ze gewezen marine-officieren. In de tweede wereldoorlog waren ze gevlucht voor de Duitsers naar Spanje. Daar hadden ze een tijdje in de gevangenis doorgebracht. Vervolgens waren ze ontkomen naar Marokko en namen dienst in het vrije Franse leger van Charles de Gaulle. Na de oorlog is de ene meneer bij de Franse marine gebleven en de andere heeft allerlei functies bekleed in de Franse olieindustrie in het verre buitenland. Beide heren spraken goed Engels.
Daarna gingen we eten. Twee soorten vis met een soort erwtensoep en nog een quiche. Brood, kaas en een lekkere wijn. Dat was het goede Franse leven.
Patricia belde voor me naar Chartres. In Chartres zit een heel actieve Jacobsvereniging. Er woont daar ook een Nederlander die Frank heet, een kennis van Patricia. Ik kreeg Frank aan de lijn. Hij zou een slaapplaats voor me regelen in de refugio naast de kathedraal van Chartres. Als ik daar aangekomen was moest ik zijn nummer bellen en dan kwam hij met de sleutel.
Om een uur of elf ’s avonds ging ik slapen op een uitklapbed in mijn slaapzak. Ernaast stond een groot bed, maar dat mocht niet beslapen worden. Patricia vroeg me met klem niet op de sprei te gaan zitten want die werd zo gauw vies. Alles beter dan een matje op de grond in een klein tentje. Ik heb geslapen als een roos.
![]()
03-04-2004 (Le Boullay-Thierry – Chartres)
Al vroeg uit de veren. Samen met Patricia rijd ik eerst naar de bakker in het dorp. Patricia is verdrietig. Ze huilt bijna in de auto. Haar vader maakt de hele tijd ruzie. Hij commandeert haar voortdurend. Hij is boos omdat ze vandaag geen tijd heeft treinkaartjes te halen in Chartres. Maar Patricia is alleenstaand en moet vandaag werken. Ze is bovendien verdrietig omdat haar moeder aan kanker lijdt. Kortom de dag begint vandaag wat ongelukkig.
Na het ontbijt neem ik afscheid van de familie. Ik heb vandaag zo’n dertig kilometer voor de boeg. Grotendeels langs de N154. Het is lekker loopweer. Droog en maar af en toe een spatje regen. Onderweg geen enkel café.
De kathedraal van Chartres in de verte
Om 17.15 uur ben ik in Chartres. De kathedraal was al op 15 kilometer afstand te zien. Het gebouw torent hoog boven de stad en het omliggende land uit.
Het is een flinke klim naar het centrum van de stad. De refugio ligt pal naast de kathedraal. Een oud verveloos gebouw met een binnenplaats. De deur zit op slot. Ik bel Frank. Hij komt al snel. Ik ben niet de enige pelgrim hier vertelt Frank. Er logeren vandaag twee fietsers uit Nederland: Sjaak en Riet de Groot uit Ursem. Ze zijn in de stad aan het rondkijken. De refugio is op de bovenste verdieping. De kosten om hier te mogen overnachten zijn € 10 per nacht.
Het gebouw wordt ook gebruikt voor allerlei andere activiteiten aan de posters op de deuren te zien. De douche hangt vol met wielerkleren van Sjaak en Riet. Ik hang mijn tentje uit in de slaapzaal en gebruik daarvoor zowat alle bedden. Ruimte genoeg. Frank is een heel aimabele man. Hij belooft me de volgende dag rond te leiden in de kathedraal. Wanneer ik hem vertel dat mijn pelgrimspaspoort bijna vol is zorgt hij voor een nieuw. Bovendien neemt hij mijn was mee naar huis.
Frank komt oorspronkelijk uit Limburg, hij is getrouwd met een Filippijnse vrouw. Frank had een baan in Frankrijk en geniet hier nu van een uitkering. Hij woont in Chartres. Zelf heeft hij de pelgrimstocht naar Santiago nog nooit gedaan.
Na gedoucht te hebben besluit ik beneden mijn potje te gaan koken want er is een keukentje. Daar tref ik ook mijn landgenoten aan. Het zijn echte veteranen op de fiets. Ze zijn al eens naar Rome gefietst. Na het eten drink ik een kopje koffie en een biertje met ze in een café. De refugio wordt gesponsord door een ander café-restaurant hier vlakbij de kathedraal. Frank promootte dat nogal. Het is echter niet het goedkoopste adres om wat te drinken.
Sjaak en Riet gaan de volgende dag al weer weg. Ze gebruiken dezelfde boekjes van Clemens Sweerman. Alleen zij hebben gecorrigeerde gegevens van het internet erbij. Erg veel campings uit het boekje zijn gesloten of bestaan niet meer, dat heb ik al meermalen ondervonden. En dat staat allemaal op het internet. Als ik dat had geweten. De camping na Chartres op mijn planning bestaat niet meer volgens hun gegevens.
Om 22.30 uur ga ik naar bed. Sjaak en Riet verontschuldigen
zich al bij voorbaat voor het feit dat ze me morgen vroeg misschien wakker
zullen maken omdat ze vroeg willen opstaan. Ik vind dat niet zo erg. Dan kan ik
alvast de stad een beetje verkennen.

Refugio in Chartres
04-04-2004
(Chartres)
Om 8.45 vertrekken de fietsers. Ik heb ze het adres van de site van de Zuidwester gegeven. Misschien komen ze op de volgende bijeenkomst van het Jacobsgenootschap in Noordholland. Om 9.00 uur ga ik brood en eten kopen in de stad. Ik heb met Frank om 14.00 uur afgesproken.
De kathedraal Notre-Dame is een imposant bouwwerk. Ze is gebouwd op een plaats waar vroeger al een Gallo-Romeins heiligdom stond. Het is een keer of vier afgebrand en steeds weer opgebouwd. De kerk is heel beroemd om zijn gebrandschilderde ramen met het befaamde mysterieuze ‘bleu de Chartres’. Frank heeft me beloofd te gaan kijken naar die ramen. Hij heeft zelfs een verrekijker mee.
We drinken eerst samen een kopje koffie in een tabac. Frank kent alle zwervers rond de kathedraal. Ze spreken hem ook aan. Het is Palmpasen. In en rond de kathedraal is een hele happening aan de gang. Vandaag is de afsluiting van de jaarlijkse bedevaart van studenten. Die lopen dan van Parijs naar Chartres in drie dagen. Alle rugzakken, het zijn er duizenden, staan opgesteld rond de kathedraal. De televisie is erbij. In de kathedraal is een plechtige eucharistieviering. We kunnen er dus nog niet in. We spreken af om het om 17.00 uur nog eens te proberen.

Kathedraal in Chartres
Ik ga op mijn gemak rond de kathedraal lopen en de buurt bekijken. Die bedevaart is echt bijzonder. De jongeren lopen massaal rond de kathedraal met grote kruisen en palmtakken. Voorop lopen een heleboel bisschoppen en priesters. Overal staan tenten met EHBO-posten en toiletgelegenheid.
Om 17.00 uur laat Frank me de kathedraal zien. We kunnen
niet overal bij maar het wordt toch nog een rondleiding van drie uur! Prachtige
ramen verhalen van christelijke legendes en 
Voor de kathedraal van
Chartres. Nog 1625 km.

Bij één van de portalen van de kathedraal te Chartres

Processie rond de kathedraal van Chartres
heiligenlevens. De verrekijker van Frank is een gouden greep. Daarmee kun je alles tot in de details goed bekijken. Ook de verschillende beeldengroepen zijn interessant. De kathedraal is een web van ramen en beelden die samen een bouwwerk van verhalen en symboliek vormen. Ze weerspiegelen het Christelijke gedachtegoed van de bouwers. Het is één groot stripverhaal. In de vloer is een labyrint afgebeeld.

Labyrint te Chartres

Labyrint te Chartres
Dit labyrint heeft een symbolische betekenis. Vroeger kropen de mensen op hun knieën over de tegels door het labyrint. Dat duurde ongeveer een uur. Het labyrint in Chartres is precies even groot als het daar tegenover liggende rozetraam. Op 21 juni legt het invallende licht een baan af over het labyrint. Dan worden de stoelen die erop staan verwijderd. Het was een soort substituut voor een pelgrimstocht. Het staat voor de weg van het leven. Het lijkt alsof je steeds verder weg raakt van het centrum, maar door het met vertrouwen volgen van de weg kom je uiteindelijk toch waar je wezen wil. En is het in het echte leven niet net zo? Het verloopt soms ook in kronkels met tegenslagen en omwegen. Vertrouw op God en volg de weg, alles heeft een bedoeling, je komt uiteindelijk op je bestemming. Soortgelijke labyrinten kom je vaker tegen in kerken. Het zijn een soort reusachtige mandala’s, hulpmiddelen om te mediteren.
Frank maakt twee digitale foto’s van mij om op te sturen naar huis via de e-mail. Na de rondleiding neem ik afscheid van Frank. Hij geeft me alvast een tip voor morgen. Ik moet gewoon de rivier de Eure blijven volgen om de stad uit te komen. De sleutel van de refugio moet in de brievenbus gegooid worden.
In de refugio maak ik mijn avondeten klaar. Vroeg naar bed.