Poitiers - Roncesvalles

 

19-04-2004 (Poitiers – Gençay)

’s Morgens vroeg uit de veren. 7.00 uur ontbijt en 8.00 uur vertrek. Afscheid genomen van Thierry. Hij wil de volgende dag liftend richting Bretagne. Ik wens hem het allerbeste.

Het regent behoorlijk. Het regenpak kan aan. Eerst heb ik brood en eten gekocht. Daarna de stad uit. Ik kom terecht in een vrij onoverzichtelijk web van paden en weggetjes. Na een half uur besluit ik richting Smarve te lopen en daar langs de D741 verder te lopen. In Smarve drink ik een lekker kopje koffie.

De regen stopt maar niet. Er is wel een fietspad waar ik rustig kan lopen. Dat is vrij uniek in Frankrijk. In La Villedieu houdt het pad op. Daar eet ik wat brood in een bushokje langs de weg in de stromende regen.

Na de lunchstop loop ik langs de weg op de zijstreep naar Gençay. Door mijn knalgele regenhoes ben ik goed zichtbaar voor de langsrazende vrachtwagens. Desondanks is het soms knap eng als ze me passeren op een halve meter zonder merkbaar af te remmen. Rond 16.00 uur ben ik daar. In het stadje is een Office de Tourisme. Daar zit een al wat oudere meneer achter de balie. Hij wil me wel een stempel geven. Ik vraag gelijk naar een kampeerplekje. Eerst reageert hij heel verbaasd. Tenslotte is het nou niet echt goed weer om te kamperen. Maar hij wist wel een mooi veldje. Op de stadsplattegrond wijst de meneer me waar het is.

Het veldje is naast een oud kasteel uit de twaalfde eeuw. Er tegenover staat een lagere school. En zowaar de regen stopt even een uurtje. Ik kan mijn tentje droog opzetten. Verbaasd kijken de ouders die hun kroost ophalen naar mijn activiteiten op het veldje. Meteen vraag ik om water in de school. Gelijk eten koken nu het nog droog is. Met mijn zitflap kan ik zittend op een grote steen dineren.

Na de afwas komt de meneer van de Office de tourisme langs om te kijken hoe het met me gaat. Hij vertelt me dat de politie al ingeseind is over mijn verblijf. Ze houden ’s nachts een oogje in het zeil. Er schijnen soms baldadige tieners rond te lopen bij de ruïne die de boel slopen. Hij biedt me een rondleiding aan in de ruïne. Nou dat wil ik wel.

De oude meneer is vroeger politieambtenaar geweest in Parijs. Het kasteel is nu min of meer zijn hobby. Hij glimt van genoegen als ik te kennen geef dat ik graag een kijkje wil nemen in het kasteel.

 

 Gençay

 

Ik krijg alles te zien tot de kerkers aan toe. Het kasteel heeft nog een rol gespeeld in de honderdjarige oorlog tegen Engeland. Na de rondleiding biedt de meneer me een plekje aan binnen in het kasteel. Op de binnenplaats sta ik uit de wind zegt hij en veiliger. Dat aanbod sla ik af. Mijn tent staat net lekker droog. En ik heb nu alles op orde. Vriendelijk neem ik afscheid.

’s Avonds drink ik nog een biertje in een restaurant in de stad. Dan naar bed. Al gauw begint het te gieten en te waaien.

 

20-04-2004 (Gençay – Charroux)

Om 7.00 uur sta ik op. Het heeft de hele nacht geregend. Bij het inpakken van de tent is het droog. Om 9.00 uur zie ik een omgevallen boom in een weiland langs de weg. Daar kan ik op zitten om te ontbijten. Net als ik zit en mijn ontbijtspullen heb gepakt begint het weer te regenen. Vlug mijn regenhoes weer om de zak. Tegen 12.00 uur ben ik in Chateau-Garnier. Daar is een winkel open. Ik haal mijn dagelijkse portie vitamines in de vorm van een sinaasappel en een appel. Het plaatselijke café heeft een kleine gelagkamer met een lage zoldering en één lange houten tafel met nog wat kleinere tafeltjes. Als ik binnenkom heeft de waardin, een oude vrouw, net eten gekookt voor zichzelf en haar man in een klein keukentje naast de zaak. Daar drink ik een kop koffie. Vervolgens ga ik mijn brood opeten in een bushokje midden op het plein van Chateau-Garnier.

Om 16.30 uur ben ik in Charroux. De mairie is open. Ik vraag om een stempel en een campingplaats. Er is een aire naturelle even buiten het stadje aan de Charente. Maar de toiletten en douches zijn nog gesloten. Vanaf de mairie moet ik nog twintig minuten lopen naar het kampeerveldje. Je staat er beschut tegen de wind. Bij de rivier staan veel auto’s van hengelaars. Ik zoek het plekje met de minste hobbels en het meeste gras. Water haal ik in een garagebedrijf even terug naar het dorp langs de weg. Ik kook gelijk mijn potje eten want het is nog droog. Vaste menu: macaroni met tonijn, kaas en tomatenpuree. Na de koffie uit mijn thermoskan begint het weer te regenen. Ik kruip maar in mijn tentje. Naar het stadje durf ik niet want mijn tent staat onbeheerd en er rijden jongens in auto’s over het veld. Voor ik ga slapen luister ik naar de radio. Ik heb een piepklein radiootje ter grootte van een lucifersdoosje van mijn zwager Jan meegekregen.

  

Charroux

 

 

 21-04-2004 (Charroux – Nanteuil-en-Vallée)

Tegen 8.00 uur vertrek ik. Ik loop terug naar het stadje. In de hoofdstraat is een supermarkt open. Daar koop ik voor € 14 etenswaren. Het weer is lekker vandaag. Ik krijg het zelfs warm. Mijn jas gaat in de rugzak en ik smeer mijn armen en nek in met zonnebrandolie. Mooie omgeving. Om 15.00 uur arriveer ik in Nanteuil-en-Vallée. Ik heb geen zin om nog verder door te lopen vandaag. Bij de marie vraag ik om een stempel. Ze vinden het goed dat ik mijn tentje bij het voetbalveld opzet. Mijn tentje staat net als de plaatselijke jeugd komt trainen onder leiding van een stel moeders. Ze houden keurig rekening met mijn tent bij het trappen tegen de bal. Water haal ik uit een kraan bij de begraafplaats.

Nanteuil-en-Vallée

 

 

Na het opzetten van de tent maak ik een rondje door het dorp. Leuke pittoreske straatjes. Maar er is geen café of restaurant open. Om 16.00 uur vind ik een klein winkeltje  waar ik eten voor morgen kan kopen. Pas om 17.30 uur gaat de bakker open. Bij de tent is het best uit te houden. Het veld ligt naast een riviertje. Daar ligt een omgevallen betonnen paal waar ik op zitten kan in de zon. Na vier dagen regen is dit luxe. Morgen wil ik naar Coulgens. Dat is precies op één dag lopen van Angoulême. Daar wil ik in een jeugdherberg. Dan kan ik me weer eens douchen en mijn kleren wassen. Dat is er al drie dagen niet van gekomen.

22-04-2004 (Nanteuil-en-Vallée – Coulgens)

Ik word wakker met regen. Bah. Dat is een tegenvaller na gisteren. Alles moet in de tent. Scheren, ontbijten en inpakken. Gelukkig staat er een houten schuurtje op het veld. Een bouwval waar tijdens feesten en wedstrijden bier en versnaperingen verkocht worden. Daar kan ik mijn rugzak droog inpakken.

Het lopen gaat beter dan gisteren. Alleen bij St. Gourgon loop ik de verkeerde kant op en moet ik zes kilometer om. Om 13.30 uur is er zowaar een café open in Valance. Daar zie ik weer eens een paar mensen. Dat geeft de burger moed.

Rond 16.15 ben ik in Coulgens. Er is een bar annex alimentation open. Daar vraag ik of er misschien ergens in het dorp gelegenheid is om te kamperen. De mairie is al dicht dus ik kan het daar niet vragen. De waardin verwijst me naar de plaatselijke picknickweide naast het voetbalveld.

Ideale plek. Er staan banken om te zitten. Goed gras. En er is een buitenkraan bij de kleedkamers van het voetbalveld. De zon schijnt inmiddels ook weer. Na het koken en afwassen drink ik een biertje achter de alimentation. Mijn mobiel krijgt geen verbinding. De muren zijn te dik denk ik. Als ze de stoelen op de tafels beginnen te zetten loop ik terug naar mijn tent.

 

23-04-2004 (Coulgens – Angoulême)

Weer een mooie dag. 8.15 vertrokken. Na een tijdje kan de jas weer uit en ik loop zelfs op korte broek.

Vlak voor Brie rijden twee fietsers uit Apeldoorn mij voorbij. Ze stoppen en ik maak een praatje met ze. Ze maken een foto van me en fietsen weer vlug verder. Even verderop haal ik ze bij een winkel weer in. In Brie maak ik een koffiestop in een café. De baas roept gelijk: “Hollandais?” Hij denkt dat ik op de fiets ben. Er komen hier veel Hollanders langs op de fiets zegt hij.

Het terrein is heuvelachtig met steile klimmen. Om 13.30 loop ik langs een autoweg Angoulême binnen. Een vrij grote stad. Met behulp van de busbordjes waar een stadsplattegrondje op getekend is zoek ik me een weg naar het centrum waar de jeugdherberg staat. Het is echt warm en stoffig. De rivier is een verademing. De jeugdherberg ligt op een eiland in de Charente. Naast de herberg is een soort kermis aan de gang gecombineerd met een agrarische tentoonstelling. Het is er druk met ouders en kinderen. Om 15.30 sta ik in de hal van de jeugdherberg. De juffrouw van de acceuil zegt eerst dat ik tot 17.00 uur moet wachten maar als ze ziet hoe bezweet ik ben en hoe zwaar mijn rugzak is zwicht ze en geeft me de sleutel van een kamer.

Deze keer slaap ik weer samen met iemand op een kamer. Hij is er nog niet dus dat wordt een verrassing. De juffrouw achter de balie wijst me een wasmachine in een hok achter de herberg. Daar was ik eerst mijn spullen. Het kost € 2. De wasmachine is een nogal oud geval. De grendel van het deurtje is afgebroken. Het kost me een kwartier om het deurtje na het wassen open te krijgen met hulp van mijn zakmes. Daarna hang ik de was op in mijn kamer over de ongebruikte stapelbedden. Ook mijn tent moet uitgehangen worden. Ik hoop dat het al een beetje droog is voor mijn kamergenoot terugkomt. Die arriveert al snel na het ophangen van de was.

Angoulême

 

Het is een Fransman ongeveer net zo oud als ik. Hij heet Frank. Hij werkt in de weg- en waterbouw. Het eerste wat hij doet is een stapel foto’s laten zien van alle machines waar hij mee werkt. Imposante werktuigen. Ook zijn gezin krijg ik te zien. Hij werkt overal in Europa. Ongeveer twee keer per jaar is hij bij zijn gezin. Op zijn werk slaapt hij in jeugdherbergen en soms in een tentje. Op zijn gasbrandertje zet hij koffie voor ons beiden. Dan stapt bewoner nummer drie binnen. Een Kongolees die net aangekomen is. Al mijn spullen moet ik nu verhangen om ruimte te maken. Hij drinkt koffie mee. Hij is hier op stage.

Na de boodschappen en het koken in de keuken van de herberg zit ik in een totaal lege kantine. Er is geen t.v., die is kapot. Ik drink koffie uit de automaat en schrijf wat in mijn dagboek. Om 21.00 uur gaat de kantine dicht. Ik ga slapen. Mijn was is nog niet droog.

’s Nachts word ik wakker van een vreemd gezucht. Ik kan er maar niet achter komen wat het is. Het gezucht gaat de hele nacht door. Als ik ’s morgens uit het raam kijk is het raadsel van de zuchten opgelost. Op het kermisterrein staan vier kamelen waar de kinderen ritjes op mogen maken.

 

24-04-2004 (Angoulême rustdag)

Angoulême ligt op een rotsplateau aan de Charente. Het is een heel steile klim omhoog naar het centrum. Ik loop een beetje te zwerven als tourist. Het is nog steeds prachtig weer. Ik drink wat op een terrasje. Het is altijd leuk om in een vreemde stad de mensen te observeren. Na een paar uur loop ik terug naar de jeugdherberg. Eindelijk is mijn was droog en heb ik alles weer op orde in mijn rugzak. In de kantine is nog steeds niks te doen. De dag verloopt verder met eten koken en luieren. Mijn linker achillespees is wat geïrriteerd. Ik geef mijn schoenen de schuld, want die zijn scheef afgesleten van het lopen op asfalt. In Bordeaux ga ik nieuwe schoenen kopen. Dan ben ik ruim over de helft.

Angoulême

 

25-04-2004 (Angoulême – Villebois)

Lekker geslapen. Om 7.15 uur opgestaan. 8.00 uur ga ik ontbijten. Je mag hier het stokbrood zelf snijden. Ik ben alleen in de eetzaal. Ik leg alvast een flinke bodem als reserve voor vandaag. Om 9.00 uur vertrek ik.

Het is 10.00 uur voor ik de stad uit ben. Het is altijd even zoeken naar de juiste uitvalsweg. Een eenzame route door bossen met veel klimmen en dalen. Het is prachtig weer. In de stadjes onderweg vind ik geen cafés of winkeltjes die open zijn. Onderweg kom ik een prachtig Versailles-achtig kasteel tegen. Schilderachtige boerderijen.

Rond 16.00 uur ben ik in Villebois. Al van ver zie ik een groot fort of het zijn vestingwallen. In het centrum op het dorpsplein vraag ik aan een paar hangjongeren of er ergens een camping is. Ze luisteren beleefd maar kunnen me niet verder helpen. Als ik vraag of er ergens een stukje gras is om een tentje neer te zetten haken ze af. De campings gaan pas in juni open in het zuiden van Frankrijk.

Ik drink koffie in een café in het centrum. Er zijn hier ook toeristen. Het is best druk. De waardin drinkt bij iedere bestelling een biertje mee.

Zicht op Villebois

 

Ik besluit na een half uurtje een plekje voor mijn tent te gaan zoeken. Eerst loop ik vanuit het centrum omhoog naar de kerk. Een heel steil straatje. Daar zou volgens één van de hangjongeren een kerkhof moeten zijn met gras ernaast. Het was nergens te vinden. Ik liep steeds verder het stadje uit. Dan maar terug naar het stadscentrum.

Daar staat een middelbare school met een sporthal. Achter de sporthal ligt een mooi grasveld. Uit het zicht. Een buitenkraan van de sporthal doet het. Bovendien staat er ook nog een telefooncel naast de school. Dus hier zet ik mijn tentje maar neer.

Na het eten koken en afwassen drink ik op een bankje eigengemaakte koffie in een heerlijk zonnetje. In de telefooncel bel ik José en mijn schoonzus Astrid want die is jarig vandaag.

Het nadeel van zo’n plekje midden in het centrum is dat ik eigenlijk niet weg kan bij mijn tent, dus vroeg naar bed.

 

26-04-2004 (Villebois – Aubeterre-sur-Dronne)

Om 8.00 uur ben ik klaar om te vertrekken. Eerst naar de supermarkt. Die gaat pas om 9.00 uur open. Ik besluit daar niet op te wachten. Vandaag wil ik een eind lopen. Om 9.15 uur ontbijt ik langs de weg. ’s Morgens is het te koud om bij de tent te ontbijten. In Gurat drink ik koffie in een bar annex tabac. Mijn pen is leeg. Daarom vraag ik of de barmevrouw ook pennen verkoopt. Ze lacht vriendelijk en ik krijg er één cadeau. Aardig.

Het is weer mooi weer en een prachtige route. Maar ik kom geen winkel tegen onderweg. In St. Séverin vraag ik een stempel in het postkantoor. Daarna loop ik door naar Aubeterre. Een schitterend pittoresk plaatsje. Heel steile straatjes en een kerk in een grot. De winkel is gesloten op maandagmiddag. Dat wordt sappelen. Ik heb nog een beetje macaroni en strooikaas, een beetje tomatenpuree en een stukje brood. Daar doe ik het vandaag maar mee.

De camping is dicht. Maar ernaast is een parc de loisir aan de Dronne. Daar zoek ik een mooi plekje aan de rivier. Er is ook een voetbalveld. Het hek blijkt los te zijn en daar kan ik water tappen. Na het eten komt er nog een camper op het veldje. Omdat er nu meer toezicht is durf ik een biertje te pakken in het stadje.

 

27-04-2004 (Aubeterre – Eyegurande-Gardeuil)

Goed geslapen. Om 6.30 uur opgestaan. De tent hing aan één kant een beetje slap. Daardoor is mijn slaapzak hier en daar vochtig geworden door condens. Er is enorm veel dauw en ochtendnevel vandaag. Mijn tent gaat kletsnat de rugzak in. Om 8.00 uur eerst naar de alimentation. Voor € 19,50 aan eten gekocht.

Wanneer ik de brug overloop het stadje uit word ik overvallen door een enorme buikkramp. Gauw weer terug naar het stadje want daar is een openbaar toilet. Dicht! Weer snel het stadje uit en een boerenveld opgezocht. Net op tijd! Closetpapier op. Dus weer naar de alimentation om toiletpapier te kopen. In de voetbalkleedkamer was ik mijn handen heel zorgvuldig. Ziek worden kan ik niet gebruiken.

Om 9.30 uur kan ik pas echt beginnen aan mijn loop van vandaag. Prachtig weer. Ik loop wel dertig kilometer door bossen, helemaal alleen. Overal hagedissen en als ik water passeer plonzen er duizenden kikkers van de kant.

Midden in het bos ligt Servanches. Daar kan ik koffie drinken. Volgens de waardin zijn er vandaag al meer pelgrims op de fiets langsgereden.

Om 17.30 ben ik in Eyegurande. Ik zit er doorheen. In het plaatselijke restaurant vraag ik of ik mijn tentje op het veld bij hen achter naast de kerk mag zetten. De baas wil daar geen toestemming voor geven, dat moet ik maar aan de burgemeester vragen. De mairie is nog open. Ik laat mijn glas bier staan en loop erheen. De burgemeester is net in gesprek en ik moet een half uur wachten. Hij vindt het geen enkel probleem.

Terug in het restaurant raak ik aan de praat met een Engelsman aan de bar. Hij is de broer van de waardin. Ze vinden het bewonderenswaardig dat ik al zover heb gelopen en wensen me veel succes toe met het vervolg. Hij is een autoliefhebber, hij mag graag praten over oude auto’s. Ik krijg twee flessen water. Daarna zet ik mijn tentje op naast de kerk. De burgemeester informeert nog even de baas van het restaurant via de telefoon dat hij mij toestemming heeft gegeven om daar te kamperen. Netjes geregeld. Het koken, afwassen en koffiedrinken uit de thermoskan wordt nu routine. Ik maak me helemaal geen zorgen meer over kleren wassen. Ik ben een echte wildkampeerder geworden denk ik.

28-04-2004 (Eyegurande – St. Emilion)

 Ik word wakker om 6.30 uur. De lucht is betrokken. Om 8.00 uur weg. Het restaurant naast mijn veldje is nog dicht. Ik had een flauwe hoop daar te kunnen ontbijten. Ik loop heen en weer in de hoofdstraat van het dorp. Er is hier zelfs geen bakker. Ik loop dus maar verder naar Le Pizou. Daar kom ik om 10.00 uur aan. Intussen rammel ik van de honger. Gelukkig is daar wel een winkel. Ik kan daar ook koffie drinken. Mijn ontbijt nuttig ik in een bushokje bij de kerk.

Het landschap is rommelig en onverzorgd geworden. Geleidelijk gaat het over in wijngaarden. Allemaal St Emilion. Om 13.00 uur gaat het vies regenen. Bij een coöperatieve wijnhandel staat een dichte marktwagen met een luifel. Onder die luifel trek ik mijn regenbroek aan. Zelfs het mooiste landschap wordt lelijk in de regen. Tegen St Emilion wordt het wat droger. Ik passeer borden van een camping die een paar kilometer van de weg ligt. Maar ik wil overnachten in St Emilion omdat ik vandaar de trein wil nemen naar Bordeaux om nieuwe schoenen te kopen. Het is nog een fikse klim de laatste kilometers. Om 18.00 uur kom ik aan in St. Emilion.

St. Emilion is ontzettend toeristisch. Veel mooie oude huizen en kleine straatjes. Een grote kerk en resten van omwalling. Er is een groot bureau de tourisme. Daar loop ik binnen om te vragen naar een plekje voor mijn tent en om informatie over de vertrektijden van de trein naar Bordeaux. Ze staan me keurig te woord. Om te overnachten verwijzen ze me naar de camping drie kilometer terug. Die is dus open. Maar ik heb niet zoveel zin om nu nog terug te lopen naar de camping. Morgen moet ik hier weer met de trein van 7.30 uur naar Bordeaux. Bovendien wil ik morgen in Bordeaux in de jeugdherberg overnachten. Dus ga ik zelf maar op zoek naar een plekje. Dat valt niet mee. St. Emilion is te klein, te compact en te druk om wild te kamperen. Maar aan de rand van het centrum is een klein parkje onder de stadsmuren. Grote bomen ontrekken het parkje aan het gezicht. Ernaast aan de andere kant is een groot tenniscomplex en een politiebureau even verderop. Ik haal water op het plein voor de kerk bij een zwengelpomp en zet brutaal mijn tentje neer in het parkje. Als de politie komt ben ik zo weer vertrokken. Algauw wordt het donker. Ik kan nog net koken tussen de buien door. Er komt niemand kijken.

’s Nachts heb ik moeite om in slaap te komen omdat boven mij over de stadsmuur een drukke weg loopt. Het vrachtwagenverkeer gaat de hele nacht door. Een lantaarn vlak boven mij blijft de hele nacht branden en het schijnsel dringt door mijn tentdoek heen.

 

  

29-04-2004 (St. Emilion – Bordeaux – St. Emilion)

Omdat ik bang ben de trein te missen, er gaan er maar twee ’s morgens, sta ik al om 5.30 uur op en begin gelijk mijn tent in te pakken bij het schijnsel van de lantaarnpaal. Het is nog zeker twee kilometer lopen naar het station en slecht aangegeven. Het station is heel klein en ligt buiten het stadje. Ik ben op tijd. In de trein koop ik een kaartje bij de conductrice. Na drie kwartier sta ik al op het grote centraal station van Bordeaux.

José heeft de importeur van Lowa, het merk van mijn schoenen, gemaild. Zo is ze aan het adres gekomen van een outdoorzaak in Bordeaux waar ze wandelschoenen verkopen. Ik ben zelf in Frankrijk nog geen sport- of speciaalzaak tegengekomen waar ze wandelschoenen verkochten. In Nederland heb je tegenwoordig een outdoorzaak op iedere straathoek, maar in Frankrijk dus niet. José heeft me telefonisch ook de routeomschrijving er naar toe doorgegeven. Ik sta dus al om 9.15 op de stoep. De winkel gaat pas om 10.30 uur open. Geen probleem, Bordeaux is een heel mooie stad. Ik loop wat rond bij de gotische kathedraal waar ze bezig zijn met de voorbereiding van een groot feest. Er staan cameraploegen en er worden tribunes gebouwd. Het is misschien voor één mei bedoeld.

Ik drink koffie in een mooie tent. Het is echt een grote stad. Tevens loop ik een kantoorboekhandel in om een nieuw schrijfblok te kopen. Het personeel is niet erg blij met mijn grote rugzak. Er loopt voortdurend een zenuwachtig vrouwtje achter mij aan door de winkel.

Om 10.30 sta ik weer bij de outdoorzaak. Ik krijg gelijk alle aandacht van een vriendelijke verkoper. Hij spreekt gelukkig goed Engels. Ik had Lowaschoenen van het type Kathmandu. Die hebben ze daar niet. De verkoper zegt dat dat een verouderd type is. Uiteindelijk koop ik Lowaschoenen van het type Tibet. Ze passen me als gegoten. € 200 kosten ze me, maar ik ben er blij mee.

Ik probeer de jeugdherberg te bellen. Eerst krijg ik een nurks type aan de lijn die me in rad Frans iets probeert duidelijk te maken. Ik begrijp het niet en ze gooit de hoorn erop. Ik bel nog een keer. Dezelfde vrouw die zowat ontploft als ik weer hetzelfde vraag in mijn niet zo perfecte Frans. Nu begint het me te dagen wat ze bedoelt. De herberg is vol. Dat is een domper want het verblijf in een jeugdherberg bevalt mij altijd zo goed. Ik besluit om dan maar terug te keren naar St. Emilion en op die camping daar te gaan staan voor twee dagen. Ik moet toch mijn was een keer doen. Op weg terug naar het station kom ik een wasserette tegen. Daar was ik mijn kleren. De droger vind ik te duur. Dus ik neem mijn was nat mee in een vuilniszak. Mijn oude schoenen laat ik staan in de wasserette. Misschien heeft een zwerver er nog wat aan.

Op het station koop ik een kaartje terug. Inmiddels weet ik goed de weg in St. Emilion. Daar begint het weer te regenen. Het is een eind lopen met twee vuilniszakken. Eén met eten voor twee dagen en één met wasgoed. Om 16.30 uur sta ik op de camping. Het is een mooie camping. € 10 per dag. En het is droog geworden. Vlug hang ik mijn was op aan een geïmproviseerd lijntje.

 

Camping bij St. Emilion

 

Af en toe valt er een buitje regen. Iedere keer haal ik vlug mijn was binnen en hang het direct weer op als het droog is. Ook nog eten gekookt. De benzine voor mijn brander is bijna op. Om 20.30 uur naar bed.

30-04-2004 (St. Emilion rustdag)

’s Morgens naar St. Christophe. Dat ligt dichterbij dan St. Emilion en bovendien heb je daar niet zo’n akelige klim. Alle winkels afgelopen voor wasbenzine. Kennen ze daar niet. De cafés zitten ook allemaal dicht dus geen koffie. Saaie boel. De rest van de dag op de camping doorgebracht. Mijn was drooggekregen. Ik vraag ook bij de receptie, waar ze een campingwinkeltje hebben, naar wasbenzine. Er is een schilder aan het werk. Ook aan hem gevraagd naar wasbenzine. Hebben ze niet. Uiteindelijk zie ik in het campingwinkeltje petroleum voor de barbecue staan. Dat heb ik maar gekocht. Mijn brandertje kan ook, met een andere sproeier,  petroleum branden volgens de gebruiksaanwijzing.

Verder is het mooi weer.

01-05-2004 (St. Emilion – Cadillac)

Al om 7.00 uur vertrek ik. Vandaag geen winkels open want het is een feestdag, maar ik heb voor twee dagen ingeslagen. Ik wil een flink stuk lopen want ik heb Frankrijk wel zo’n beetje gezien. Ik loop St. Emilion nu voor de vierde keer door. Bij Branne steek ik de Dordogne over. Ook drink ik koffie in een gezellig café daar. De Dordogne. Dat is ook zo’n klinkende naam voor mij. Ik vind dat ik nu toch een geweldig eind opgeschoten ben. Met de auto is het al zo ver.

Wijngaarden om St. Emilion

Onderweg van Branne naar Cadillac

 

Om 14.30 loop ik Targon binnen. Mijn rechterbeen is wat weigerachtig. Toch besluit ik verder te lopen naar Cadillac. Ik wil opschieten.

Eén van de mooie dorpjes op weg naar Cadillac

 

Een heuvelachtig parcours. Maar schitterende vergezichten. Onder andere zag ik in de verte een imposante ruïne op een heuvel liggen die de hele omgeving domineerde. Het kwam me heel bekend voor. Ik denk dat ik deze ruïne een keer bezichtigd heb tijdens een vakantie in de Dordogne met José en de kinderen.

Drie kilometer voor Cadillac loop ik langs een camping. Hij lijkt gesloten. Ik loop verder. Vlak voor Cadillac begint het te kletteren van de regen. Ik zie een bordje van een camping drie kilometer verderop. Aan een passerende boer op een trekker vraag ik of de camping open is. Dat is niet het geval. Ik loop helemaal door naar het centrum van Cadillac. Daar ligt aan de Garonne een camping municipal. Het is 18.30 uur.

Deze camping is ook dicht. Maar ik klim over de slagboom. Ik zet mijn tentje op. Niemand die het ziet. Het gras is eigenlijk te lang, maar met mijn matje plet ik het een beetje. Op het plein naast de camping is een kermis aan de gang. Er lopen waterslangen door de haag naar kranen op de camping. Er is dus water.

Het regent nog steeds. Ik kook eten in het toilettenblok. Als ik aan de koffie zit op een betonnen rand van het toilettenblok begint de kermis te draaien. Het is donker, de gekleurde lampjes gaan aan en de muziek wordt al luider. Ik vind de kermisgeluiden gezellig, ik stoor me er niet aan. Af en toe komen er dronken jongelui door de heg van de kermis om te plassen in het vervuilde toilettenblok. Verbaasd zien ze mij zitten, maar ze zeggen er niets van dat ik hier met een tent sta. Ik blijf vriendelijk lachen. Het lijkt net Volendam op vrijdag van kermis.

Van slapen komt niet veel door al het lawaai. Maar ik rust toch.

 

 

 

 

 

02-05-2004 (Cadillac – Hostens)

Ik sta om 7.00 uur op. Het is lekker weer. Het stadje ziet er fris en schoongeregend uit. Ik zoek naar een bakker en een winkel voor beleg. De middenstand is druk bezig met het opzetten van kraampjes en biertenten. Alleen de bakker is open. Dan maar geen beleg.

De Garonne bij Cadillac

 

Ik steek de Garonne over. De ochtendnevel hangt over de rivier. Het is genieten. Eerst nog wat wijngaarden dan begint er een vlak landschap van bossen en kaarsrechte wegen. Het lijkt op de Veluwe. Allemaal aangeplante naaldbomen. Het is heel rustig, je ziet er geen kip langs de weg. Ik loop als een tierelier. In Illats vind ik toch nog een slager die van alles verkoopt en In Landiras drink ik een kopje koffie. Het gaat gesmeerd.

De hele dag alleen bos. Het is bijzonder. Midden in het bos kom ik welvarende dorpen tegen. Je vraagt je af waar ze hier van leven. Waarschijnlijk toerisme.

Om 18.00 uur arriveer ik in Hostens. Meteen al bij aankomst zie ik een groot park naast een salle de fête en een tennisbaan. Een ideale wildkampeerplek. Maar ik loop nog even verder door om water of een eventuele camping te zoeken. Naast een huis is een meneer in zijn tuin aan het werk. Ik loop naar hem toe en vraag naar een camping. Die is niet open, daar had ik eigenlijk al op gerekend. Meteen vraag ik of de meneer mijn PET-flessen met water wil vullen. Dat doet hij graag. Ik loop terug naar het park. Ik zet mijn tentje neer naast een bankje. Een groepje dikke bomen onttrekt mijn kampeerplek aan het zicht vanaf de openbare weg.

Na het koken kan ik nog even zitten in de zon met eigengemaakte koffie. Dan komen er wolken kleine muggetjes. Het is in deze bosrijke streek erg drassig. De muggen vinden mij erg lekker. Gauw in mijn tent.Ik rits snel alles dicht.

 

 

 

 

 

03-05-2004 (Hostens – Pissos)

Vroeg opgestaan. Ik ontbijt in het centrum op een bankje in de zon voor de kerk. Mijn benen zitten onder de muggenbulten. Het is eerst even zoeken naar de goede weg. Om 8.45 ben ik pas echt ‘en route’.

De eindeloze bossen

 

Ik loop de hele dag door het grote bos. Het lopen gaat vandaag een beetje moeizaam. Het is raar weer. Soms drukkend warm dan weer een koude wind. Tot 15.00 uur kom ik geen winkels of cafés meer tegen. Alleen bos en kleine gehuchten met bosarbeidershuisjes. Pas in Moustey kan ik een stempel halen op een postkantoor. Ik weersta de verleiding om hier bij een café even te stoppen. In plaats daarvan loop ik door naar Pissos. Daar kom ik om 16.00 uur aan.

Nu zitten er trouwens stickers aan de palen bij kruisingen met de tekst ‘Chemin de Compostela’.

De camping is weer dicht. Daar reken ik eigenlijk niet eens meer op. Een mevrouw die buiten in de tuin aan het werk is vertelt me dat ik bij de mairie kan vragen naar een kampeerplekje.

Retis. Midden in het bos.

Biganon

 

Gelijk laat ik mijn flessen weer vullen met water, want ik weet niet of ik nog een kraan tegenkom. In de mairie spreek ik een juffrouw achter de balie aan. Ze is niet erg toeschietelijk. Het lijkt of ze het liefst meteen van me af wil. In een kantoor achter haar roept echter een man ‘parc de loisir’ als ik naar een kampeerplek vraag. De juffrouw zwicht en geeft mij een routebeschrijving. Ze verwijst me naar een kamp bij de rivier voor watersport. Daar zijn volgens haar ook toiletten.

Vervolgens loop ik twintig minuten langs de weg met twee zware waterflessen. Dan kom ik een zwembad tegen met een tennisbaan en een grasveldje erbij. Ik besluit dat ik ver genoeg ben en zet daar mijn tentje neer achter een paar struiken. Er zit nog net genoeg wasbenzine in het tankje van mijn brander om eten te koken en koffie te zetten. Tijdens de maaltijd komen er jongelui tennissen op de baan. Dus ik eet onder het genot van een spannende tennismatch. Er lopen veel mensen rond, maar niemand schijnt zich te verbazen over mijn aanwezigheid.

 

04-05-2004 (Pissos – Cap-de-Pin)

Ik sta al vroeg op en loop terug naar het centrum van Pissos. De winkel is nog niet open. De bakker wel. Ik ga eerst ontbijten voor de kerk op een bankje in de zon. Naast de kerk is ook de bushalte. Er staan een heleboel scholieren te wachten. Busjes rijden af en aan. Het is een gezellige drukte. Ik wil niet langer wachten op de winkel. Ik ga lopen.

Het bos houdt maar niet op. Het is wel lekker vlak. Je kan er niet fijn aan de kant picknicken omdat het drassig is. De muggen zijn nog steeds een plaag.

Rond het middaguur kom ik aan in Labouheyre. Alle winkels natuurlijk dicht. De supermarkt gaat pas om 15.00 uur open. Ik moet wachten omdat de winkels hier dun gezaaid zijn. Intussen drink ik koffie in een café en haal ik een stempel in de mairie die gelukkig wel open zijn. In de supermarkt koop ik in voor twee dagen. Een zware sjouw. Tot nog toe heb ik mijn eigen route gevolgd. Ik ga nu eens de routestickers volgen van ‘le chemin de Compostela’die ik al een paar dagen zie hangen. De route voert me steeds dieper de bossen in langs kleine paden. Ik heb geen kaart die zo gedetailleerd is dat ik deze route kan vinden. Je weet dus niet wanneer je een plaatsje tegenkomt om te overnachten. Maar ik moet nu doorlopen en de ingeslagen weg blijven volgen. Dat is best wel eng. Op een gegeven moment loopt het pad vlak langs de snelweg. Om 18.00 uur vind ik langs de snelweg een kleine camping bij een restaurant. Het is vlak bij een gehucht dat Cap-de-Pin heet. Ik vind het welletjes voor vandaag.

De receptie is dicht. Het restaurant ook. Ik bel langdurig aan en loop een aantal malen om het huis. Niemand reageert. Daarom besluit ik alvast mijn tent neer te zetten want het regent af en toe en het is nu even droog. Op het kampeerterrein staan caravans. Er wonen mensen die, als je de opschriften van de busjes ernaast leest, in de schoonmaak werken. De mannen die me aanstalten zien maken om mijn tentje op te zetten komen naar mij toe. Ze willen liever niet dat ik op hun veldje kom staan. Ze wijzen steeds naar het veld ernaast. Ook goed. Ik wil geen ruzie. Als ik op het veld ernaast mijn rugzak neerzet stuift er ineens een dame van een jaar of twintig uit het huis. Ze begint gelijk te sputteren dat de camping dicht is en dat het niet mogelijk is in verband met het sanitair. Ik laat haar een tijdje praten en ik wijs steeds naar de caravans en naar een vrouw die kleren aan het wassen is in het toilettenblok. Volgens mij is deze camping wel open. Ik doe alsof mijn neus bloedt. Ik zeg dat ik naar Compostela ga en niet veel nodig heb. Alleen een klein stukje gras en water. Uiteindelijk zwicht ze en ik kan mijn tentje gaan opzetten. Als ik aan de maaltijd zit komt er een oudere mevrouw uit de receptie om geld vragen. € 3,80 kost het. Dat valt mee. Ik heb gekookt in het toilettenblok omdat het regent. Om 19.30 uur gaat het restaurant ook nog open. Ik drink een biertje en zit lekker droog tot ik ga slapen. Grappig vind ik het als er een echtpaar binnenkomt uit Nederland die in gebrekkig Frans vraagt om een kamer. In het Nederlands hoor ik ze twijfelachtig praten tegen elkaar of ze hier wel willen overnachten of liever nog even doorrijden.

Ze zien me niet eens zitten, ik ga op in het decor. Het is net of ik even een glimp van een andere wereld opvang.

 

05-05-2004 (Cap-de-Pin – Taller)

Het heeft de hele nacht gehoosd en gestormd. Ik heb ontbeten met de koffie van gisteren uit mijn thermoskan. Ik ga weer verder door het bos langs de stickerroute.

Villa in het bos

 

Uiteindelijk voert de route mij naar Onesse-et-Laharie. Daar drink ik koffie in een restaurant. Het regent bij vlagen. Het is een heel gedoe om mijn regenpak uit te trekken in het restaurant. Ik heb wel veel bekijks en de mensen in het restaurant beginnen gelijk een gesprek. Mijn brood eet ik later bij gebrek aan een bushokje in het portaal van de kerk.

Ik besluit nu weer gewoon langs de weg te lopen naar Lesperon. De stickerroute is heel mooi, maar je weet absoluut niet waar je terecht komt en ik wil wel een slaapplekje op tijd. In Lesperon staat een bord dat het nog 890 kilometer is naar Compostela. Dat geeft de burger moed. In het plaatselijke café drink ik koffie en eet ik een sinaasappel. Van de herbergier krijg ik water voor onderweg.

Het is al 16.00 uur maar ik loop toch nog verder naar Taller. Dat scheelt morgen weer. Het begint onderweg te hozen  en te hagelen. Ik loop moederziel alleen door het bos. Rond 18.30 kom ik aan in Taller. Net als de regen even stopt kom ik langs het plaatselijke voetbalveld. Ik bedenk me geen ogenblik en zet mijn tentje neer. Als ik ga koken begint het weer te regenen. Gelukkig sta ik in de luwte van de kleedkamers. Ik kan net droog koken onder een uitstekende dakrand. Een man die naast het terrein woont komt even kijken, maar hij vindt het wel goed geloof ik.

Na het eten stap ik in het centrum een café in. De waard reageert enthousiast als ik vertel dat ik pelgrim ben. Iedere pelgrim die langskomt krijg een gratis consumptie en een pakketje met een sticker en een plastic jacobsschelp. Hij vraagt of ik al een slaapplek heb. Ik had ook in de salle de fête kunnen slapen vertelt hij. Trots laat hij een hele verzameling ansichtkaarten zien van pelgrims die langs zijn gekomen. Ook een kaart uit Nederland met een Volendamse in klederdracht. Als ik hem zeg dat ik uit Volendam kom kijkt hij me wat ongelovig aan. Ik probeer te SMS-en naar José, maar dat lukt hier niet. Geen bereik. De herbergier biedt me zijn telefoon aan. Helaas het lukt me niet naar Nederland te bellen. Van de herbergier krijg ik een tip voor morgen. Hij zegt dat ik in Dax kan overnachten in een priesterseminarie. Ik krijg het adres van hem. Hartelijk neem ik afscheid van deze man. Ik beloof hem ook een ansicht te sturen uit Compostela.

 

 06-05-2004 (Taller – Dax)

’s Nachts waren er kletterbuien en rukwinden. Ook ’s morgens regent het. Ontbijt in mijn tentje. Uiteindelijk toch droog weg. Om 8.30 loop ik richting Dax langs de grote weg.

Dax

 

Het weer valt mee. Af en toe een dreigende lucht. Onderweg eet ik mijn brood in de berm van een zijweggetje. Ik kan zitten op een steen van de waterleiding. Wel moet ik wat doornige takken wegknippen met mijn zakmes voor ik kan plaatsnemen. In St. Paul-lès-Dax, een voorstadje van Dax aan de noordkant van de Adour, wil ik een kopje koffie gaan drinken om een uur of twaalf  ’s middags. Ik neem plaats in de bar van een restaurant langs de weg. Het personeel negeert me eerst omdat ze druk bezig zijn in het restaurant met dinerende klanten. Ik vind het niet erg een tijdje te wachten. Dan kan ik rustig naar het toilet, even mijn gezicht en handen gaan wassen. Maar na een half uur wachten ga ik toch maar eens aan de bar staan om de aandacht van het personeel te trekken. Er staat ook een bak pinda’s. Het wachten duurt zo lang dat die bak half leeg is voor iemand komt kijken. Dan krijg ik eindelijk een bak koffie. Na nog eens een half uur moet ik weer een kwartier aan de bar staan met de rest van de bak pinda’s om te mogen afrekenen. 

Het is na de koffie nog één uur lopen naar het seminarie. Dax is best een leuk stadje. Ik moet door de hele stad heen want het seminarie ligt in het zuidoosten. Het is een enorm gebouw. Of eigenlijk is het een verzameling gebouwen met een kerk. Onderweg heb ik één keer de weg moeten vragen in een Noordafrikaanse buurtwinkel. De eigenaar sprak net zo weinig Frans als ik. Maar hij wist waar het seminarie was.

Ik moest even zoeken naar de juiste ingang. Eenmaal binnen mocht ik van de receptioniste  wachten op een bankje. Ze was helemaal niet verbaasd dat ik om een slaapplaats vroeg. Er waren momenteel nog meer pelgrims die hier vannacht sliepen. Uiteindelijk kwam er een mevrouw uit een kantoor aan wie ik mijn pelgrimspaspoort moest laten zien. Ze was heel vriendelijk. Voor € 16 mocht ik overnachten en ontbijten. Er waren heel veel kamers allemaal voorzien van een bed, bureau en wastafel. Op de gang was het toilet en een douche. Ik schat dat hier zeker 150 kamers zijn. De conciërge kwam nog even vriendelijk vragen of alles in orde was. Iedere keer als ik beneden kwam in de centrale hal waar je kon zitten en koffie uit een automaat kon drinken knikte hij me geruststellend toe. Als pelgrim heb je hier een zekere status.

Op mijn kamer was ik al mijn spullen in de wasbak. Ik draai de radiatorkranen open en hang al mijn kleren te drogen over de tafel en de stoelen. Mijn tentje hang ik met kunst- en vliegwerk uit aan de kasten en uitzetijzers van de ramen.

’s Avonds bel ik José met de telefoon in de hal. Ik sms het nummer van de telefoon hier naar José en die belt me dan terug. Dat scheelt een boel geld.

07-05-2004 (Dax rustdag)

7.00 uur opstaan en ontbijten in de eetzaal. Wat een luxe om lekker aan te schuiven aan tafel. Daarna schrijf ik weer een brief aan de Zuidwester. Om 11.00 uur heb ik een bel-afspraak met mijn moeder. Om 12.00 uur is hier elke dag een Heilige Eucharistieviering in een lokaal. Daar ga ik ook maar weer eens heen. De priester en ik waren de twee enige mannen, voor de rest waren er nog vijf vrouwen. Het doet me goed.

Ik loop naar het centrum van Dax. Het kost me enige moeite een postkantoor te vinden. Daarna drink ik een biertje. Het is hier best gezellig en vrij druk met verkeer en mensen. Ook weer boodschappen gedaan voor twee dagen.

Terug op het seminarie houd ik me bezig met de was. Mijn brander heeft nog een bodempje wasbenzine. Dat wil ik nu opmaken zodat ik in alle rust een ander sproeiertje kan monteren voor de petroleum. In mijn kamer kan ik geen benzine verstoken dus loop ik naar het parkeerterrein en maak daar een pannetje heet water voor in de thermoskan. De benzine is nu echt op. Het monteren van een andere sproeier is echt kinderwerk. Met de thermoskan maak ik weer koffie. De rest van de tijd ga ik televisie kijken beneden in de hal. Vandaag heeft het af en toe geregend, maar er was ook geregeld een zonnetje.

 

 

08-05-2004 (Dax – Carresse)

7.00 uur ontbijt. Er zitten vier andere lopers en twee fietsers in de ontbijtzaal. Het is de eerste keer dat ik zoveel andere pelgrims ontmoet. Gek genoeg is er bijna geen contact onderling. Het zijn blijkbaar allemaal super-individualisten.

Ik vertrek om 8.00 uur. Het is goed weer. Ik loop lekker. In Cagnotte drink ik koffie. Om 13.00 uur begint het weer te regenen. Ik eet een broodje onder het afdak van een fabriek aan de Pau bij Peyrehorade. Daar stoppen ook even twee fietsers uit Nederland. Daarna loop ik door naar Sorde-l’Abbaye. De camping naast de weg is zoals gebruikelijk dicht. Er is een gîte en een refuge bij het klooster. Ik loop er langs, maar ik zie er geen leven of beweging. Omdat het nog maar 14.30 uur is besluit ik door te lopen naar Carresse. In Carresse is de mairie al dicht, maar de burgemeester staat er naast nog wat te praten met iemand uit het dorp. Ik spreek hem aan en vraag om een kampeerplek. Ik heb even terug al een sportveld gezien dat uitermate geschikt is als kampeerterrein. De burgemeester wil me liever terug laten lopen naar Sorde-l’Abbaye. Kamperen vindt hij maar niks met dit weer. Maar dat is voor mij uitgesloten. Na enig heen en weer gepraat mag ik mijn tentje wel neerzetten naast het Peloteveld. Dat is hier in Baskenland een grote sport. Ik zet mijn tentje naast de salle de fête waar ook een toilet en een buitenkraan is. Ik heb hem net een kwartier staan als de burgemeester langskomt. Hij zegt dat ik ook wel mag slapen in een schuur hier vlakbij.

Overnachten in een schuur bij Carresse

 

Mijn tent is nu nog droog dus ga ik op het aanbod van de burgemeester in. Voor de schuur gebruik ik voor het eerst petroleum in mijn brander. Het loeft verschrikkelijk. Mijn pannetje is pikzwart. Maar het brandt iets rustiger zodat mijn macaroni niet zo snel meer overkookt. Na het eten drink ik nog wat in het plaatselijke café. Daar zitten alle mannen achter de televisie naar het voetbal te kijken. Ik krijg van de waard een gratis biertje omdat ik pelgrim ben. Kijk dat is toch heel aardig. De mannen zijn allemaal vrij klein en gedrongen en hebben echt allemaal een alpino-petje op. Ze spreken iets onverstaanbaars. Waarschijnlijk Baskisch.

 

 

09-05-2004 (Carresse – St. Palais)

Al om 5.00 uur word ik wakker van de dorpelingen die naast me in de salle de fête aan het kokkerellen zijn voor een groot feest of zo. 8 Mei is de Franse bevrijdingsdag. Dus ik denk dat het daar iets mee te maken heeft. Al om 7.00 uur op weg. Eerst langs de bakker in het dorp. Die verkoopt zo uit de bakkerij. Het brood is nog warm.

Ik ontbijt in Auterrive langs de weg op een tuinmuurtje. Het lopen gaat vandaag een beetje stroef. Mijn rechterbeen is krakkemikkig en mijn rechter onderrug doet pijn. Ik zie steeds beter de bergen in de verte. Er ligt een hoop sneeuw op. Het weer is goed. Onderweg is het

Labastide-Villefranche

 

landschap even buiten La Bastide

 

moeilijk uitrusten langs de weg want het is drassig in de berm. Als ik een steen zie of een boomstam ga ik even zitten. Bij Camou is een klein parkje naast een kasteel. Daar eet ik mijn boterhammen op tussen de middag.

Het parkje bij Camou

 

 In St. Palais om 15.00 uur besluit ik een camping te gaan zoeken. Eigenlijk wilde ik doorlopen naar Ostabat maar dat is een heel klein plaatsje, waarschijnlijk zonder winkel. Dan heb ik weer geen ontbijt morgen.

St. Palais is een drukke toeristische plaats. In een café vraag ik aan het meisje dat achter de bar staat of er onderdak is voor pelgrims. Zij weet van niets. Haar baas die later komt ook niet. Er is wel een camping municipal. Die zit dicht, maar de slagboom is open. Ik zet dus toch maar mijn tentje neer. Er naast is een rugbyveld met een buitenkraan. Daar haal ik water.

Terwijl ik me aan het installeren ben komt de gendarme wel drie keer langsrijden. Ze staan even stil en kijken naar mij. Ze zeggen er niets van. Dus het zal wel goed wezen. Op het terrein rijden een hoop jongeren rond met cross-fietsen en skateboards. Misschien komen ze daarom wel zo vaak kijken. Om 17.00 uur heb ik gegeten en afgewassen. Ik heb helaas geen koffie meer. Ik durf mijn tentje hier niet in de steek te laten vanwege de jongeren.

Dan maar vroeg naar bed. Om 19.30 een verrassing. Naast de camping stopt bij de rugby-kantine een bus. Het plaatselijke rugby-team stapt uit. Gevolgd door een hele hoop luid toeterende auto’s van supporters. Een inderhaast aanscheurende man opent de kantine. Achter de kantine stond al een hele tijd een koelwagen geparkeerd. Nu weet ik waarom. Daar zit de drank in. De vaten worden aangerold, de kratten aangesleept. Het feest begint. Iedereen moet even plassen tegen de heg waarachter mijn tent staat. Er wordt luidkeels geschreeuwd en gezongen. Het clublied schalt uit de luidsprekers. Om 22.00 uur gaat iedereen weer naar huis. Enkele supporters doen de rally Parijs-Dakar over op het campingterrein. Ze scheuren met een auto luid toeterend over de velden. Uit het open dak van de auto steken bij iedere kuil alle armen zwaaiend omhoog. Ik zit klaar met mijn kleren aan om eventueel tot evacueren over te gaan. Dat is gelukkig niet nodig. Om 22.15 is het stil.

Pyreneeën in de nevel

 

 

10-05-2004 (St. Palais – St. Jean-pied-de-Port)

Om 6.00 uur ben ik al wakker. Het heeft vannacht geregend. De camping is een modderpoel. Ik ruim alles in het donker op want ik wil vroeg in St. Jean-pied-de-Port zijn. Gelukkig kan ik mijn spullen schoon inpakken onder het afdak van de toilettenblokken. Mijn tent gaat helaas weer vies en nat de rugzak in. Dat betekent extra tijd in St. Jean-pied-de-Port want ik wil mijn tent terugsturen naar Nederland.

Om 7.00 uur loop ik eerst langs de bakker. Ik zoek een plaats om droog te ontbijten. Die vind ik in het voorportaal van de kerk. Staat daar op een bordje aan de deur dat er een refuge voor pelgrims is gevestigd. Had ik dat eerder geweten.

Om 8.00 uur begin ik echt te lopen. De route voert langs een drukke autoweg met veel vrachtverkeer. Langzamerhand wordt het wel droog gelukkig. De bergen zijn verpakt in nevel en mist. Jammer voor het uitzicht. Om 9.30 stap ik een café in. Hier in deze streek moet je goed zoeken naar cafés want ze maken niet veel reclame langs de weg. Het is gezellig en heel schoon in dit café. Het geboende hout glimt tegen je op. Ostabat ligt nog een stuk van de weg af bergop. Dat sla ik dus maar over. Om 16.00 uur loop ik St. Jean-pied-de-Port in. Het is een heel toeristisch plaatsje. Het heeft maar één hoofdstraat de Rue de Citadel.. Ik moet me met mijn rugzak tussen hordes toeristen door wringen. De straat loopt heel stijl omhoog. Er zijn heel veel overnachtingsadressen. Op nummer 40 is een refuge van een Nederlands echtpaar Huberta Wiertsema en Arno Cuppen. Ze werken ’s winters in Nederland en in het pelgrimsseizoen runnen ze hier een refuge in een heel oud huis. Als ik binnenkom word ik heel hartelijk ontvangen. Ik krijg een kopje thee en een koekje. Ik voel me sinds tijden niet zo thuis als hier. Voor € 21 krijg ik ontbijt, overnachting en een warme maaltijd. Ik blijf twee nachten. De eerste nacht slaap ik in een kamer met twee Zweedse dames. De tweede nacht alleen op zolder waar Arno nog aan het verbouwen is. Hier kom ik Bert van den Beukel tegen, een Nederlander die ook helemaal vanuit Nederland hier naar toe gelopen is. Hij heeft pech met zijn enkel gehad, die zit in het verband.

Refuge in St. Jean-pied-de-Port

 

Ik mag mijn tent uithangen op zolder. Het warme eten is echt voortreffelijk. De stemming is opperbest. Er komen nog veel meer pelgrims binnen overal vandaan.

11-05-2004 (St. Jean-pied-de-Port rustdag)

Ik maak een mooi pakket van mijn tent, brander en thermosfles met nog wat spulletjes om naar huis te sturen. Dat scheelt me minstens vier kilo in de rugzak. Het kost € 24. Ik raak aan de praat met Harm Schiphouwer uit Apeldoorn. Hij heeft de tocht van St. Jean-pied-de-Port naar Santiago in 28 dagen gelopen. Natuurlijk vraag ik aan hem om tips. Hij legt uit hoe ik het beste met twee wandelstokken kan lopen. Voor de refuge oefen ik in de straat. Harm zegt dat ik het minimaal drie dagen moet proberen om de slag te pakken te krijgen. Verder verstel ik de riemen van mijn  rugzak  samen met Arno. Ik hoop dat de zak nu beter zit op mijn rug. Ik had een mooi boekje van de ANWB met de routebeschrijving in Spanje. Dat heb ik thuis gelaten om gewicht te besparen. Nu mag ik het exemplaar van Harm lenen, geweldig. Van Arno en Huberta hoor ik dat de Napoleonsroute naar Roncesvalles, de mooiste route, onbegaanbaar is. Er ligt teveel sneeuw, er is mist en het is glad. Dus ga ik morgen langs de autoweg. Een fietser is twee dagen geleden op de pas verdwaald en door uitputting om het leven gekomen. Een groep wandelaars die gisteren daar gelopen hebben hebben via de telefoon verteld dat ze een paar keer gevallen zijn door de gladheid.

 

12-05-2004 St. Jean-pied-de-Port – Roncesvalles)

Om 7.00 uur ontbijt ik in de refuge. Om 7.45 haal ik eerst brood bij de bakker. Dan begin ik aan een route met het nummer twee. Dit op aanraden van Huberta. Na anderhalf uur in de enkelhoge modder blijk ik in een kringetje te hebben gelopen. Dan baal je stevig! Ik pak nu de gewone autoweg.

Rue de Citadel in St. Jean-pied-de-Port

 

In Arneguy ga ik de Spaanse grens over. Daar is een grote supermarkt waar de Fransen goedkoop drank inslaan. In het bijbehorende café drink ik een café Americanos, een dubbele expresso. De Fransen komen met jerrycans drank tappen. Een eindje verder eet ik mijn middaglunch op een bankje voor de winkel in Valcarlos. Daar koop ik ook een sinaasappel. De route loopt met haarspeldbochten omhoog. Het is heel steil. Ik loop als met vleugeltjes ondanks het voortdurende klimmen. Die vier kilo minder scheelt enorm. Onderweg passeert een Oostenrijker me op de fiets. Hij heeft een roodverbrande neus. We praten een tijdje over koetjes en kalfjes. Hij is helemaal uit Oostenrijk komen fietsen. Het fietsen is in de bergen volgens mij nog moeilijker dan lopen. Ik haal hem een paar keer bijna in bij een steile klim.

Onderweg kruist het officiële pad naar Santiago regelmatig de asfaltweg. Toch blijf ik langs de autoweg lopen gezien mijn ervaring eerder op de dag met de enkeldiepe modder. Tegen 16.00 uur kom ik aan bij de Col d’Ibagneta op ruim 1000 meter hoogte. Het is een beetje grauw weer. Er is een kapel, maar de deur is op slot. Veel pelgrims en toeristen staan foto’s te maken van elkaar.

Eindelijk in Spanje

 

Col de Ibagneta

 

Een kwartier later. Ik loop alweer naar beneden. Kom ik aan in Roncesvalles. Het is eerder een verzameling gebouwen dan echt een dorp. Als pelgrim moet je je melden in een bureau. Eerst een grote zaal waar wel 100 pelgrims op hun beurt moeten wachten. Je zit aan een tafel waar je een aanmeldformulier moet invullen. Dan in de rij voor een stempel en een nummer van je slaapplaats. Ik had bed nummer 46 onderaan, het zijn stapelbedden. Kosten € 5. In de gigantische refuge, nog uit de middeleeuwen, word ik ontvangen door een Nederlandse dame die daar werkt als hospitalero. Ze geeft het advies om eerst naar het restaurant te lopen om te reserveren voor een pelgrimsmenu à € 7. Dat doe ik maar want het is erg druk hier. Ik krijg een kaartje met 19.00 uur als eettijd. Vervolgens weer terug naar de refugio. Daar moet iedereen eerst zijn schoenen uittrekken en op een rek plaatsen bij de ingang. Na mijn eerste ervaringen met de modder kan ik me het belang van deze regel indenken.

De refugio in Roncesvalles

 

Ook voor de douches onderin het gebouw staat een lange rij. Ik kom allerlei mensen tegen die ik al ken van gisteren. Drie Zwitsers van een jaar of twintig. Twee Canadese dames. Een Duitser. Het is echt gezellig. Om 19.00 uur stipt kan ik eten. Het menu bestaat uit soep vooraf, forel en een toetje. Eenvoudig doch voedzaam. Er wordt gegeten in ploegen. Om 20.00 uur is er een pelgrimsmis. We zitten daar met 150 pelgrims uit alle windstreken. Op het einde van de mis moeten we met zijn allen voor het altaar staan om de pelgrimszegen te ontvangen. De laatste zin van de priester is dat hij vraagt aan ons om voor hem te bidden als we in Santiago aankomen. Ik vind het heel indrukwekkend.

Terug in de refugio gaan de lichten stipt om 22.00 uur uit. Het is aardedonker. Niet iedereen gaat meteen slapen. Het is een drukte van belang van mensen met zaklantaarns die rommelen in hun rugzak of een boekje lezen bij het licht van een hoofdlamp. Later in de nacht begint het gesnurk van slapende pelgrims. Het nachtelijk lawaai werkt echt op je lachspieren. Veel mensen kopen speciaal hiervoor oorpluggen. Ik heb ze ook gekocht van Arno in St. Jean-pied-de-Port. Maar ik vind ze niet lekker zitten in  mijn oren, dus ik trotseer de overlast.  

Nogmaals de refugio in Roncesvalles (copyright: Ben Noorloos)

Pelgrimsmis in Roncesvalles (copyright: Ben Noorloos)