PELGRIMSREIS naar COMPOSTELA 2004

Vertrek:           29-02-2004

Aankomst:        12-06-2004

Totale duur:      105 dagen

 

Voorwoord

In 1979 ben ik als onderwijzer begonnen met werken. Op vier verschillende scholen als taakverlichter. Eén dag in de week stond ik voor groep 8 van de Petrusschool . Het hoofd van de school kon dan administratieve taken afhandelen en ik nam zijn klas over. Deze episode in mijn carrière behoort niet tot de meest glansrijke. Invallen is een hondenbaan.  Geschiedenisles was één van de vakken waarin ik les gaf op die dag. Tijdens deze les gebruikte ik een NOT-serie over de pelgrimage naar Santiago in de middeleeuwen. Ik weet niet of mijn leerlingen er veel van opstaken. Ik zelf vond het ongemeen boeiend. Zo is mijn belangstelling voor de Camino ontstaan. Toen dacht ik: als ik ooit de kans krijg wil ik dat ook gaan proberen.

Het was in 1998 dat de overheid in het Primair Onderwijs de mogelijkheid bood ADV-dagen te sparen. Daar ben ik meteen op ingegaan. Het idee van een pelgrimage naar Santiago was nooit uit mijn hoofd verdwenen en dit was mijn grote kans. In totaal zes jaar heb ik ADV-dagen gespaard. Genoeg voor een half jaar betaald verlof.

Natuurlijk heb ik mijn besluit om te gaan lopen naar Santiago niet genomen zonder José daar in te kennen. Zij vond dat ik deze kans moest grijpen om mijn jarenlang gekoesterde droom te verwezenlijken.

 

Verwachtingen en motivatie

Waarom ik de tocht wilde maken was een mengeling van allerlei gedachten. Het avontuur trok mij. Het idee dat mensen al vanaf de middeleeuwen deze tocht gemaakt hebben vond ik spannend. Ik wilde weten of ik het ook kon. Het religieuze van een pelgrimstocht sprak mij aan, alsook het idee een hele tijd na te kunnen denken in alle rust.

 Ik wilde de tocht alleen lopen. Ik dacht dat ik vanzelf wel andere mensen zou ontmoeten. Als je alleen bent heb je ook meer overnachtingsmogelijkheden. Alleen kun je zelf bepalen hoe snel je loopt en de route die je loopt en wanneer je wil rusten.

 Nou ik ben erg alleen geweest, vooral de eerste twee maanden. Dat viel de eerste weken niet mee. Alles schiet  dan door je hoofd. Er is niemand die tegen je praat of die je afleidt. Je bent gedwongen met alleen jezelf en al je gedachten en angsten te lopen. De emoties speelden hoog op. Soms liep ik hele stukken te janken.

 Maar na een week of vijf begon ik de stilte te waarderen en het werd ook stil in mijn hoofd. Ik kon genieten van de kleinste dingen. Blijheid overheerste. Er kwam een weldadige rust over me heen. Ik denk dat dat het pelgrimsgevoel is waar ik wel eens over gehoord had.

En inderdaad je komt heel veel  bijzondere mensen tegen. Mensen die je zomaar helpen zonder dat ze je kennen. Dat was een heel bijzondere ervaring.

Voor de Pyreneeën ben ik bijna geen andere pelgrims tegengekomen. Soms vluchtige ontmoetingen met pelgrims op de fiets, maar geen andere lopers. Toen was ik dus echt alleen.

 

In Spanje veranderde het karakter van mijn tocht volledig. Ineens liepen daar honderden andere pelgrims uit allerlei landen. Geweldig was dat. Interessante gesprekken met wildvreemden die allemaal hetzelfde doel hadden en vaak ook dezelfde ervaringen deelden. Alle leeftijden, vrouwen en mannen met uiteenlopende achtergronden. Allen met dezelfde gedachte: naar Santiago. Je liep alleen maar toch met elkaar. In de refugio’s was er grote onderlinge solidariteit. Iedereen vertrouwde elkaar. Iedereen probeerde elkaar te helpen.

Achteraf ben ik blij dat ik het hele stuk heb gelopen van huis naar Santiago. Ik had de ervaring van alleen met mezelf zijn niet willen missen; en de sfeer op het spaanse stuk zou ik anders, minder intens, ervaren hebben zonder het franse eenzame deel van de route.


Ergens tussen Santo Domingo en Burgos

 

 

Voorbereiding

Zodra ik mijn besluit om te gaan had genomen ben ik gaan trainen. Elke week een paar keer wandelen. De laatste drie jaar heb ik samen met de Kneuzen meegetraind voor de vierdaagse van Nijmegen. (de vierdaagse heb ik overigens nooit gelopen) Het laatste jaar vóór mijn tocht liep ik naast de gewone wandeltraining ook ieder weekend één keer afstanden van 15 tot 25 km met een rugzak opgevuld met flessen water, oude lappen en gidsen van postorderbedrijven, tot een gewicht van 15 kg. Via internet, wandelbeurzen en veelvuldig bezoek aan outdoorwinkels oriënteerde ik me op het gebied van wandelschoenen, kleding en verdere uitrusting. Om mijn aangeschafte uitrusting te testen heb ik in de zomervakantie van 2003 een driedaagse tocht van Apeldoorn naar Amsterdam gelopen waarbij ik op campings overnachtte. Dat was heel nuttig. Na die tocht heb ik allerlei zaken uit mijn rugzak gehaald of vervangen door lichtere. Mijn rugzak bleef desondanks toch best zwaar. Na de schifting woog mijn rugzak evengoed nog 18 kg. 

 

Van mijn collega Max kreeg ik een grote hoeveelheid boeken over de tocht naar Santiago. Zijn vader was net overleden en die had een grote verzameling nagelaten.

Eén jaar vóór mijn vertrek ben ik lid geworden van Het Genootschap van Sint Jacob. Twee keer heb ik een bijeenkomst bezocht, allebei in 2003. De eerste keer in Akersloot. Dat was voor de leden van de regio Noordholland. De tweede keer een landelijke bijeenkomst in Utrecht. Het leukste van die bijeenkomsten was de pelgrimsparade met verhalen van compostelagangers. Daar heb ik ook gesproken met mensen die de tocht zelf gelopen hebben. Van die gesprekken leerde ik vooral dat ieder de tocht op geheel eigen wijze doet. Misschien stelde ik niet de juiste vragen, maar voor tips op het gebied van routes en uitrusting heb ik meer aan de diverse wandelsites en verslagen van pelgrims op het internet gehad.

 

 

 

 

 

 

De route

Mijn oorspronkelijke idee voor wat betreft de te volgen route was: bij de voordeur beginnen en via de kortste weg naar Santiago lopen net als de pelgrims vroeger. Maar na alle informatie van andere lopers en door verslagen op het internet heb ik een tijdlang getwijfeld over de route die ik het best kon lopen. Heel veel pelgrims volgen een oostelijke route door Frankrijk via bestaande GR-paden. Men vindt dat landschappelijk mooier. Bovendien zijn daar meer overnachtingsmogelijkheden. Maar dat was voor mijn gevoel toch een te grote omweg. Dan bleef mijn oorspronkelijke idee een westelijke route te lopen over. Dat kan ook via GR-paden. Maar ik had wel eerder stukjes van GR-paden gelopen. De indruk die daarvan was blijven hangen was er een van afzien op onverharde, slecht onderhouden, slecht begaanbare paadjes en vaak onnodige omwegen. En vaak ook nog eens slecht aangegeven met onduidelijke of verloren gegane markeringen. Toen kreeg ik de boekjes van Clemens Sweerman te leen. Die zijn weliswaar geschreven voor fietsers, maar ik dacht dat de daarin omschreven route ook geschikt moest zijn om te lopen. Bovendien bevat het allerlei historische informatie over de plaatsen waar je langskomt en adressen van jeugdherbergen en campings onderweg. De boekjes van Sweerman maken gebruik van Michelinkaarten schaal 1: 200.000. Die kaarten zijn makkelijk mee te nemen. Verder vond ik dat je met de route van Sweerman meer plaatsen met winkels, en dus met voedsel, aandeed.

Voor het stuk van de Belgische grens tot de Pyreneeën heb ik de boekjes van Sweerman gebruikt. Het Spaanse deel van de route heb ik overgenomen uit het boekje van Dietrich Höllhuber ‘Wandelgids Spaanse St. Jacobsroute’ uitgegeven door de ANWB. Mijn tocht van Volendam tot de Belgische grens werd bepaald door de overnachtingsadressen in Nederland bij familie en kennissen.

 

Uitrusting

 

Om budgettaire redenen, avontuur en om de grotere bewegingsvrijheid, heb ik een lichtgewicht tentje meegenomen. Ik wilde geen tent met boogstokken, daar heb ik niet zo’n goed gevoel over. Ik vind die stokken te kwetsbaar. Het is een tent van Erdman Schmidt. Hij weegt nog geen twee kilo. Mijn wandelstok was tevens tentstok bij dit model. De naam van deze tent sprak me ook wel aan: Pelgrim.

Dit tentje heeft heel goed gefunctioneerd en me nooit in de steek gelaten bij alle typen weer. Ik heb hem bijna iedere dag nat ingepakt vanwege de dauw of de regen, maar hij gaf geen krimp. In St. Jean-Pied-de-Port heb ik ‘m weer terug naar huis gestuurd want in Spanje kun je heel goedkoop in refugio’s verblijven.

(3 tot 5 euro per nacht)

Eveneens om budgettaire redenen nam ik een benzinebrandertje mee. Restaurants zijn veel te duur en alleen brood eten stond me tegen. Dit brandertje werkte prima. Tot St. Jean-Pied-de-Port heb ik slechts twee liter wasbenzine nodig gehad en toen ik geen wasbenzine kon kopen deed hij het ook prima op petroleum. In Spanje kun je goedkoop eten, bijna overal hebben ze daar pelgrimsmenu’s voor 5, 6, 7 euro, daarom heb ik dit brandertje samen met mijn tent teruggestuurd naar huis in St. Jean-Pied-de-Port.

Ik ben vertrokken in de winter op 29 februari. Dan kan het best koud zijn. Een warme slaapzak was dus onontbeerlijk. Ik had thuis nog een donzen slaapzak, al minstens 30 jaar oud, maar nog steeds goed dacht ik. Die heb ik meegenomen. Nadeel was het gewicht. Achteraf had ik misschien beter een nieuwe slaapzak kunnen kopen die wellicht minder zwaar, warmer en compacter was geweest. Hij was niet zo warm meer als ik gedacht had, waarschijnlijk omdat de donsvulling niet helemaal goed meer was. Bij koude nachten sliep ik met een warme kruik, met mijn fleece aan en met een bivakmuts op.

Om te koken heb je natuurlijk ook pannen nodig. Daarvoor heb ik flink in de buidel getast. Een titanium pannenset van MSR.

Mijn bestek was ook van titanium. Titanium is heel duur maar vederlicht en ook nog eens duurzaam in het gebruik. Een thermoskannetje is ook heel handig om heet water in te doen. Als ik kookte op mijn brander maakte ik altijd eerst heet water. Dat bewaarde ik in mijn thermoskan. Daar maakte ik koffie van of, bij heftige kou, gebruikte ik het om mijn metalen SIGG-fles te vullen. Met een iso-hoes is het een uitstekende warme kruik in je slaapzak.

Op de grond liggen is hard en koud. Daarom heb ik een selfinflatable matje van Therm-a-rest gekocht. De dunste en lichtste die er was. Ook in Spanje kwam dat matje goed van pas. Soms was er geen bed meer in de refugio. Dan kon ik altijd nog op de grond slapen.


Belangrijk zijn je schoenen. Sommige mensen beweren dat je best op lichte wandelschoenen of op gympjes de camino kan lopen. Met een zware rugzak kan dat mijns inziens zeker niet en als het regent kan het ook zónder rugzak niet. Onderstaande foto ondersteunt mijn mening

Schoenen na wandeling naar Larrasoaina in Spanje

 

denk ik afdoende. Vele paden bestaan uit modder vaak vermengd met schapenpoep. Als het droog is wordt het kneppelhard met tractorsporen en kuilen en bij regen verandert het pad in een enkeldiepe modderpoel en er is geen berm om eromheen te lopen. De meeste andere paden zijn bezaaid met keien en stenen in allerlei afmetingen. Eén keer zwikken is genoeg! Een zware rugzak vraagt goede ondersteuning van je voeten. Zelf liep ik met B/C schoenen van LOWA. Tot Bordeaux liep ik met het type Kathmandu. Toen mijn zolen versleten waren in Bordeaux heb ik nieuwe schoenen gekocht van het merk LOWA type Tibet. Beide types voldeden uitstekend. Welk merk je koopt is niet belangrijk maar ze moeten meteen goed zitten anders krijg je geheid blaren.

In goede schoenen horen goede wandelsokken. Ik had drie paar Falke wandelsokken van de dikste soort.

Heel goed beviel mij het lopen met twee telescopische wandelstokken. Het nut van zo’n dikke houten traditionele stok is mij ontgaan. Iedereen met zo’n stok liep er een beetje mee rond te zwaaien, maar echt gemak heb je er volgens mij niet van.Twee stokken is veel beter dan één want met twee stokken blijf je altijd rechtop lopen, ook met een blessure. Door een blessure ga je vaak onbewust anders lopen en dan kun je andere blessures erbij krijgen. Stokken zorgen er ook voor dat je je gewrichten minder belast en daarmee voorkom je blessures. Voor wilde honden, waar iedereen zo voor waarschuwde, heb ik ze niet nodig gehad. In Frankrijk zaten alle honden achter hekken en in Spanje waren de honden die ik tegenkwam heel mak.

Aan kleding had ik mee: Een goretex jack en een goretex broek tegen de regen, twee afritsbroeken, drie thermo hemden en drie thermo onderbroekjes, een bivakmuts en wanten en een hoed tegen de zon. In plaats van het goretex jack en de goretex broek had ik ook een poncho mee kunnen nemen. Die is veel lichter, compacter en veel goedkoper! Maar ik vond de jas en de broek gemakkelijker in het gebruik.

 

In een waterdichte plastic map nam ik mijn routekaarten mee: Voor Nederland ANWB-kaarten van 1:100.000 (het stuk dat ik nodig had uitgeknipt). Voor België GTI-kaarten van 1:100:000. Voor Frankrijk losse bladen gescheurd uit de Michelin wegenatlas 1:200.000. Voor Spanje had ik de reeds genoemde wandelgids van de ANWB willen meenemen. Maar die heb ik thuisgelaten omdat ik hem te zwaar vond (later in St. Jean-pied-de-Port kon ik deze spaanse gids gelukkig lenen van een Nederlander die op de terugweg was). José had thuis precies dezelfde kaarten met de route ingetekend. Zo wist ze precies waar ik uithing.

 

Voor de rest had ik nog mee:

-          zitmatje

-          zonnebril

-          geld en bankpas

-          paspoort

-          pelgrimspaspoort(heb je nodig om in refugio’s te slapen en opent ook elders deuren die anders gesloten blijven )

-          Mapje om de hals voor kostbaarheden

-          Een foto van mijn gezin (leuk om aan anderen te laten zien)

-          Een mobiele telefoon (elke avond SMS-te ik naar José om door te geven waar ik zat en hoe het ging)

-          Een plastic flesje met italiaanse kruidenmix

-          watervaste lucifers

-          een metalen waterfles van SIGG met hoes

-          een plastic veldfles

-          twee lege PET-flessen van1,5 ltr. (om water te halen als ik ergens wild kampeerde)

-          een metalen drinkbeker met kliphandvat

-          een fles babyshampoo (voor mezelf, afwas en om kleren te wassen)

-          scheerolie (zo’n piepklein flesje) en een scheermes   

-          een sneldrogende handdoek (type zeemleren lap)

-          tandenborstel en een monstertubetje (klein) tandpasta

-          sporttape

-          blarenpleisters

-          aspirine

-          wondontsmettingsvloeistof

-          anti-schimmelzalf voor je voeten

-          mijn medicijnen

-          pleisters

-          een rekverband

-          een tekenpincet

-          een zakspiegeltje

-          een lampje met hoofdband (eentje met LED-lampjes is veel lichter)

-          een kompas (heb ik nooit nodig gehad)

-          schoenenvet (een kleine hoeveelheid) en reserveveters

-          Een ballpoint

-          Een schrijfblok met adressenlijst

-          Enveloppen

-          Een spatwaterdicht analoog cameraatje van Olympus met vast lensje

-          Leatherman zakmes

-          4 wasknijpers met waslijntje

-          veiligheidsspelden (handig om sokken aan je rugzak te drogen)

-          Schuursponsje (voor de afwas)

 

Onderweg gekocht:      lippenbalsem met UV-filter (door het wekenlang buiten zijn hadden mijn lippen veel te lijden van de zon) en zonnebrandmiddel factor 40.

 

Alles ging in mijn rugzak van Vaudé (Terkum 75 + 10).

Ieder kledingstuk was ingepakt in een plastic diepvrieszak, mijn slaapzak in een vuilniszak. Al heeft mijn rugzak een regenhoes alles wordt evengoed vochtig als je het er los in doet. Die zakjes waren reuze handig in het gebruik.

Na 6oo km was de rechter schouderband ingescheurd, waarschijnlijk door het ophijsen van de zak aan één band bij het om- en afdoen. Nadat ik de ingescheurde band heb ontdekt hees ik hem steeds aan de lus bovenaan op. De zak heeft het toch tot Compostela uitgehouden. Toen ik terug ging naar de winkel is de schouderband keurig gerepareerd, kosteloos.

 

Lopen, eten en onderdak

Uit de wandelverslagen op internet had ik begrepen dat je vooral niet te lang moet lopen en zeker niet de eerste tijd.

Ik had gelezen over voetfracturen en andere blessures door overbelasting. Daarom heb ik bewust gemiddeld niet meer dan 25 kilometer per dag gelopen. Het lopen met een rugzak van 18 kilogram is heel zwaar! Die 25 kilometer was ver zat. Ik moest elk uur even rusten en tussen de middag nam ik een ruime pauze van één uur. Dat had ik echt nodig! Tijdens de tocht heb ik geen enkel blaartje aan mijn voeten gehad. Wel kreeg ik last van beurse heupen door de zware rugzak.

In Nederland was onderdak en eten geen probleem omdat ik bij kennissen en familie mocht overnachten. In België en Frankrijk wilde ik overnachten in jeugdherbergen of op campings. Jeugdherbergen zijn fantastisch. Je kunt er meestal zelf koken. De bedden zijn goedkoop en het is er schoon. Je ontmoet er ook interessante mensen. Maar een aantal jeugdherbergen bleek nog niet open te zijn in februari en maart en voor sommige herbergen moest je ruim op tijd een bed boeken omdat ze  bezet waren door groepen kinderen op schoolreisje of er werd een conferentie gehouden. Bij  festiviteiten in grote steden zijn ze vaak ook vol. Daar kun je dus niet altijd op rekenen. Een mobiel is dan erg handig om een dag van tevoren te bellen.


Jeugdherberg

 

Ik dacht dat de meeste campings wel ergens in maart/april open zouden gaan. Dat is dus niet het geval! Hoe zuidelijker hoe later in het jaar de campings opengaan. Heel veel campings waren gesloten tot juni! Ook had ik gehoord dat in Frankrijk bijna overal campings municipal zijn. Dat is dus absoluut niet het geval! Ik heb soms erg veel geluk gehad omdat de beheerder speciaal voor mij de camping open deed, maar in veel gevallen moest ik wild kamperen in parken of op sportterreinen. Ik heb veel tijd verspild met zoeken naar campings die dan dicht bleken te zijn of niet meer bestonden. Wildkamperen ging eigenlijk achteraf nog het best. Soms met toestemming van de burgemeester, maar de mairie zat meestal dicht achter in de middag, dus vaker ben ik zomaar ergens gaan staan. De was deed ik in jeugdherbergen of op een camping met wasgelegenheid, niet elke dag dus.

In Spanje is onderdak en eten geen probleem. Op de Camino Francés heb je ruim voldoende refugio’s. Alleen het laatste stuk vanaf O Cebreiro werd het erg druk op de Camino. Daar was het dringen bij de refugio’s.

Eten vinden onderweg in Frankrijk moest in winkeltjes of supermarkten in de dorpen en stadjes die je tegenkwam. Dat ging niet altijd soepel. Veel dorpjes hebben geen winkel meer. Vaak was een winkel dicht op het moment dat ik passeerde. Als ik dus een winkel tegenkwam probeerde ik voor meerdere maaltijden in te slaan. Dat moest dan ergens in vervoerd worden en mijn  rugzak was daar niet groot genoeg voor. Daarom liep ik  hele afstanden met een plastic tas in mijn handen, alleen voor het eten.

Water vroeg ik aan mensen die toevallig buiten waren in de tuin, in winkels, of café’s. Ik probeerde elke ochtend één keer koffie te drinken in een café als ik er een tegenkwam. Dat had ik ook nodig voor de gezelligheid, want ik liep de hele dag alleen in Frankrijk.

Informatie over mogelijke overnachtingsadressen onderweg haalde ik bij de mairie als die open was of bij de plaatselijke bureaus voor toeristen en als het niet anders kon was het dorpscafé een heel goede informatiebron.

 

 

 Wildkamperen bij de ruïne in Gençay 

 

De tijd van het jaar

Ik had gehoord dat het in juli erg druk is op de camino en ook dat het in de zomermaanden snoeiheet kan zijn in Spanje. Daarom ben ik al 29 februari vertrokken. Om te lopen is koude beter dan hitte vind ik. Nadeel was dat ik veel extra gewicht aan kleding mee moest nemen tegen de kou en dat bijna alle campings dicht zaten. Het leuke was dat ik in de lente in Spanje liep met heel veel bloeiende planten langs de weg en draaglijke temperaturen. Achteraf heb ik er geen spijt van dat ik zo vroeg ben vertrokken.

 

 

Thuis

Ik mag me gelukkig prijzen met José. Zij vond het goed dat ik zomaar eventjes drieëneenhalve maand wegging in mijn eentje. Zo’n tocht is  financieel een aderlating.

Dat moet je echtgenote ook maar slikken. De voorbereiding en training kost heel veel tijd die je niet bij je gezin doorbrengt. En achteraf heeft José het moeilijker gehad alleen thuis dan ik tijdens de tocht. Zij bleef in de gewone huis-, tuin- en keukensituatie met ons gezin maar dan zonder mij en dus zonder maatje. Terwijl ik onderweg afwisselende en soms boeiende dingen meemaakte. Iedereen bestookte haar elke dag met vragen over mij: waar ik was, of het goed ging met mij etc. Maar of het goed ging met José dat kwam veelal pas op de laatste plaats. Dat heb ik mij vooraf niet voldoende gerealiseerd.

Wat wel goed werkte was het contact elke dag via een SMS met mijn mobiel. Zo bleef ik van alles thuis op de hoogte en wist José waar ik uithing. José had ook dezelfde kaarten thuis als die ik meehad. Dat is ons goed bevallen.

 

Financiën

Zo’n tocht kost als ik het achteraf bekijk best heel veel geld. Mijn uitrusting heb ik verspreid over vijf jaar met stukjes en beetjes gekocht. Als je al die bedragen optelt kom ik uit op ongeveer  € 2500. Niet meegeteld heb ik spullen die ik tijdens de training versleten heb zoals sokken en minstens één paar schoenen.

Alleen aan eten en onderdak onderweg heb ik € 2230 uitgegeven. Dat is gemiddeld € 21,25 per dag. Dat bedrag is vind ik relatief laag. In Frankrijk heb ik gekampeerd en zelf gekookt. Dat scheelt in de kosten. Frankrijk kostte me gemiddeld  € 15 per dag Als ik wild kampeerde kwam ik rond voor minder dan € 15 per dag. In Spanje maakte
 ik gebruik van de overal geserveerde pelgrimsmaaltijden en refugio’s. Daar had ik gemiddeld  € 25 nodig per dag.

Voor de refugio in San Juan de Ortega

 

Ik ben met het vliegtuig terug gegaan naar Nederland. Dat kostte € 269.

Alles bij elkaar heeft deze pelgrimstocht dus € 5000 gekost.